Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 175, 176.

welligt zelfs, naar art. 109 der wet v.28 April 1835, op bevel van den Hoogen Raad handelt, of eene klagt des Konings vervolgt, belette zijn pligt te doen, en de wet stuite in hare werking. De ambtsmisdaa van den vertegenwoordiger, van den minister, kan tegen de Kroon zijn gepleegd; en de schuldige door eene hem gunstige meerderheid eener Kamer worden beschermd.

De Statengeneraal zullen, wanneer hun ol bet wettige karakter van een, b. v. ministerieel, ambtsmisdrijf, of voldoende blijken van de schuld des aangewezen ministers schijnen te ontbreken, het verlo weigeren. In zooverre zal, dit is onvermijdelijk, de overweging der Statengeneraal dezelfde zijn, als die van de raadkamer van den Hoogen Raad volgens art. 328 sqq. van het Wetb. v. Strafvord. De raadkamer zal niet te min volkomen vrij blijven. Er kan dus tusschen de Statengeneraal en den Hoogen Raad eene botsing ontstaan, waarvan de stoot op den minister zal nederkomen. Welken stand toch heeft deze, wanneer de Hooge Raad geene termen tot teregtstelling vindt, tegen over de Statengeneraal, die door het verlof, om hem in regten te betrekken, erkenden, dat, naar hun inzigt, zulke termen aanwezig waren . Omgekeerd, zoo de Hooge Raad naar het boven aangehaalde art. 109 de vervolging beveelt; zullen de Statengeneraal, door ontzegging van het verlof, de eer van den bedreigden afgevaardigde of minister redden .

Men vestige het oog op den procureurgeneraal als den ambtenaar, wien de vervolging van het lid der Statengeneraal, van den minister, van den koninklij-

Sluiten