Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 478.

den tekst van dit artikel, wijzigende, doch hoofdzakelijk , uit de Staatsregeling v. 1805 art. 83 1, reeds te vinden in de Staatsregeling v. 1801 art. 93, en herhaald in de Constitutie v. 1806 art. 76 2. De Grondwet v. 1814 had uit die Staatsregelingen met name de stelling behouden, dat de Hooge Raad zich niet met de beoordeeling der zaken zelve mogt inlaten. Het stilzwijgen, hierover bewaard, is de hoofdverandering , welke de commissie v. 1815 in art. 107 der Grondwet bragt3.

Dat alle hoven en regtbanken ook de krijgsgeregten insluit, schijnt alleen, omdat deze tot hiertoe feitelijk bleven uitgesloten, noodig op te merken4. Yergel. op Art. 66 I bl. 160.

De wet v. 28 April 1835 nu heeft uit art. 180 drieerlei instelling afgeleid: 1°. het regtsgebied van den Hoogen Raad in jurisdictiegeschillen, beschreven bij art. 885; 2°. de cassatie, art. 95 sqq.; 3°. eene

') Het Nationaal Geregtshof heeft het speciaal toezigt over de Geregtshoven en Regtbanken in het Bataaf'sch Gemeenebest. Het kan dezelver vonnissen en handelingen, voor zoo verre deze met de Wetten aangaande de administratie der Justitie en de form van regtspleging strijdig zijn, schorsen en vernietigen ; hetzelve zal echter nimmer bevoegd zijn zich in de beoordeeling der zaak zelve in te laten.

!) Vergel. Wetb. op de regterl. instellingen en de regtspleging in het Koningr. Holland v. 1809 art. 119.

3) Vergel. Briefwissel, t. eenige Regtsgeleerden I p. 451 sqq. Baepsaet, Journ. p. 118.

4) Zio Mr. F. de Greve in Ned. Jaarb. voor Regtsgel. 1840 n°. 2 p. 219 sqq.

5) Vergel. Staatsregel, v. 1805 art. 71; Wet v. 7 Aug. 1806 art. 8; Wetb. op de regterl. instell. v. 1809 art. 123.

Sluiten