is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanteekening op de grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 184.

Art 184'. Ook dit heeft men in zijn geheel te danken aan de Grondwet v. 1814 art. 113, van 't welk ons artikel slechts eene gewijzigde en meer volledige beschrijving is. Den regel, dat de personen, bij de eerste alinea aangewezen, zouden worden benoemd voor hun leven, nam men over uit de Schets van Hogendorp art. 8. De tweede alinea stelde men in herdenking van de afwisseling der personen, bij vele regterlijke collegien eertijds gebruikelijk, een voorbeeld dat de nieuwe wet mogelijk volgde. Men strekte ten laatste de stelling van Hogendorp, welke de Schets alleen omtrent de leden en ministers van den Hoogen Raad en de provinciale Hoven deed gelden , dat zij namelijk niet ontslagen konden worden dan op eigen verzoek of bij regterlijk vonnis, uit over alle regters.

Of slaat de laatste alinea enkel op hen, wier diensttijd volgens de tweede alinea door de wet is geregeld, onderscheiden van die regters of regterlijke ambtenaren, welke volgens de Grondwet zelve voor hun leven worden aangesteld? Dit heeft, wanneer men niets dan de letter raadpleegt, eenigen schijn, dien het

') Art. 184. De leden en ministers van den Hooyen Raad, de provinciale geregtshoven en regtbanken, benevens de procureurs-generaal en hoofdofficieren bij dezelve, worden voor hun leven aangesteld.

De wet regelt den tijd der bediening van andere regters en regterlijke ambtenaren.

Geen regter mag, gedurende den bepaalden tijd zijner bediening, van zijnen post worden ontslagen, dan op eigen verzoek of lij regterlijk vonnis.