Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 192.

zaamgevoegd, om daarop alléén de regels eerier verleend van nieuwen onderstand toe te passen. Moesten hierbij de Gezindheden, of de bijzondere gemeenten en leeraars, in aanmerking worden genomen? Ook was de eisch van een gemeen overleg tusschen den Vorst en de Statengeneraal hier, op zijn minst, nutteloos, daar de begrooting der uitgaven in 't gemeen aan dat overleg was gebonden.

Redenen genoeg om de drie artikelen 136-138 der Grondwet v. 1814 op die wijze zaam te trekken, als bij ons art. 192 is geschied. Gewis eene verbetering; want het woordje thans gaf ten minste een vaste maat. Intusschen behoort het artikel volstrekt niet in eene Grondwet; ja de gewone wetgever zou denkelijk, bij eenig overleg, zich hebben gewacht een reael te bekrachtigen, dien zelfs de administratieve Besluiten v. 1808 eu 1814 niet dan voorwaardelijk of voorloopig hadden aangenomen. Op welken grond gaf men de aanspraak, door de eerste alinea gevestigd? Hadden de Gezindheden of hare leeraars verkregen regt? Zoo ja, waarvan kwam het voort? Men zegt, van goederen, door de kerk voormaals bezeten, en welke de schatkist had geeigend onder verbintenis, de inkomsten tot hunne wezenlijke bestemming te doen wederkeeren. Men bedoelt hoofdzakelijk de geestelijke goederen der oude katholijke kerk, na de hervorming in het grootste deel onzer provinciën voor Staatsgoed verklaard. De reden was eenvoudig, dat de Staatsmagt geene katholijke kerk meer erkende. Men moet beweren, dat de overheid ongelijk had, en eigendommen, waarin protestantsche genootschappen van regtswege wareu opgevolgd. roof-

Sluiten