Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 213.

sturen van hetzelfde jaar art. 28 sqq., een administratief Hoofdstuk ontwierp, 't welk bij de Grondwet v. 1815, ten gevolge van de levendige belangstelling der zuid-nederlandsche leden1, nog meer breedte en eene aanmerkelijke ontwikkeling kreeg. Men was bij de Grondwet v. 1814 eens in bijzonderheden getreden, wier overweging tot andere bijzonheden leidde. Voornamelijk op naauwkeurige grensscheiding tusschen de algemeene en provinciale zorge uit, verloor men zich steeds verder buiten den eigenlijken omtrek eener Grondwet. In stede van, zoo de inrigting van het bestuur van den waterstaat niet als voorheen kon verblijven aan de uitvoerende magt, den gewonen wetgever op te roepen, en hem, des noodig, regels te geven, ging de Grondwet hem voorbij om zelve een plan vau bestuur te worden.

Art. 2131, opgemaakt uit art. 127 en 123 der Grondwet v. 1814, stelt het toezigt in, dat den waterstaat als één geheel, en het onderlinge verband aller deelen omvat en bewaakt. Eene gewigtige bijdrage tot bepaling der regten en werking van het algemeene toezigt was, wat de rivieren en stroomen betrof, de wet v. 24 Febr. 18063; nog van kracht, niet, zoo als 't schijnt, op den grond, bij koninklijk

') Z. Raepeaet, 1. c. p. 142 sqq. 153 sqq.

:) Art. 213. De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat betreft den waterstaat van het koningrijk, de wegen en bruggen daaronder begrepen, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit 's lands kas of op eene andere wijze gevonden.

3) Bijv. tot het Stbl. 1822 III p. 1653 sqq.

18*

Sluiten