Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 220.

op de departementale besturen v. 1805, zelf ontleend van art. 37 van het departementaal reglement van Holland v. 1802 1.

De Staten hebben het toezigt en gezag over alle — collegien: ook die, wier werken volgens art. 218 onder een onmiddellijk toezigt van Rijkswege staan.

Waartoe hier afzonderlijk van de collegien gesproken ? Van het administratief toezigt over hunne werken werd reeds gehandeld bij art. 219. Wat is méér of anders opgesloten in het regt, dat ons artikel aan de provinciale Staten over die ligchamen geeft ? De politie, hier bedoeld, gaat dieper in. Zij omvat geheel den aanleg en het huishouden dier instellingen.

Collegien, in engeren zin collegien van bestuur, aan het hoofd van water- of dijkgenootschappen, onderscheiden van gemeenten en particulieren, beteekent tevens, gelijk in art. 215, 218, 219, de ligchamen zelve, uit wier naam zij handelen. Het toezigt en gezag raken zoowel het beheer, als de inrigting aller

len vermeenen te behoor en. W at de benoeming en het maken van nominatien voor gemelde collegien aangaat, zal daaromtrent door de Staten der provinciën eene voordragt aan den Koning gedaan worden.

i) Het departementaal beBtuur heeft het oppertoezigt en gezag over alle llooge en andere Heemraadschappen, Waterschappen, Dijks- of Polder-Bestuur en, Koggen en andere dergelijke Collegien, hoe ook genaamd, binnen het Departement bestaande, en derzelver werkzaamheden', het neemt kennis van derzelver Inrichting, Keuren, Ordonnantiën en Reglementen en zorgt, dat zoo wel alle dezen, als insgelijks alle andere Verordeningen en Publicatien, dienaangaande aanwezig zijnde, worden herzien en veranderd, als met het waar en duurzaam belang der Ingelanden of Land-Eigenaren meest overeenkomstig zal worden bevonden.

Sluiten