is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanteekening op de grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 220.

Tot verandering der inrigting van een of ander waterschap in 't bijzonder kunnen de provinciale Staten aanleiding krijgen door een voorstel van wege het ligchaam zelf. Doch eigenmagtig mogen dijk- of watergenootschappen hunne inrigtingen niet veranderen, al waren zij er uit hunne laatst goedgekeurde reglementen toe bevoegd. De Grondwet ontzegt hun autonomie in dezen zin, d. i. in dien van constitutieve of organiserende zelfregeling; omdat het belang der provincie of van andere bijzondere waterschappen inde verandering kan gemoeid zijn, en om de handhaving der algemeene regels, aan alle waterschappen in de provincie voorgeschreven, te verzekeren.

Mogen die collegien dus ook geene keuren of admiministratieve verordeningen meer maken, noodig tot oefening van hun bestuur? Ja; zij hebben die magt volgens hunne reglementen. Maar zij zal in vele opzigten onder de hedendaagsche wetgeving niet meer kunnen werken; zoodat dit stuk vooral hervorming van wege de provinciale Staten, of ook door eene algemeene wet, behoefde. De magt eener poldergemeenschap om keuren te maken zal zich ook veel naauwer beperking, dan die eener plaatselijke gemeente , moeten getroosten, zoo ver hare maatregelen niet, als die der laatste, enkel huishoudelijk, maar tevens naar buiten werken

Het regt der Staten tot hervorming, dat men ook, met de reglementen voor de departementale besturen v. 1802! en 18053 eene verpligte zorge, en wel

') Vergel. ib. opBtel in de Gids, 1843 n°. 8 p. 449. ■) Art. 37 van dat voor Holland.

3) Art. 31.