Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 220.

van het hoogste gewigt, kan noemen i, is beperkt door de heerschappij van verordeningen van algemeener, dan provinciaal gezag, 'tzij wetten, welke alle, 't zij zoodanige verordeningen, b. v. die v. 1811, welke eenige provinciën omvatten.

Hoe wanneer dij kinstellingen eener provincie met die eener andere in eene aanraking komen, welke gemeenschappelijke maatregelen vordert»? Waar begint het gebied der algemeene wetgevende magt'?

Wat de benoeming en het maken van nominatien voor gemelde collegien aangaat, zal daaromtrent door de Staten der provinciën eene voordragt aan den Koning gedaan worden: de uitdrukking zegt wel niet, dat die benoemingen of voordragten zullen worden geregeld bij wege van provinciale reglementen, hoewel dit in het stelsel der Grondwet allezins schijnt te liggen. Dan beteekent voordragt niet meer, dan advijs? Zegt het slot van ons artikel niets anders, dan dat de Kroon, de provinciale Staten gehoord, zal beschikken naar goedvinden? Zoo is het door de Kroon opgevat, blijkens de Besluiten v. 20 Maart4 en 7 Sept. 18225. In allen geval schijnt die vorm van regeling, waarbij de Koning voor het

gansche Rijk, zonder onderscheid van provinciën, één

Besluit nam, even min door de Grondwet bedoeld, als het aangenomen beginsel juist, waaruit de Kroon zich de benoeming toekende aller leden en ambtena-

') Vergel. den aangehaalden Brief p. 14. =) L. c. p. 37, 38.

3) Ibid. p. 38 sq.

4) Stbl. n°. 7.

5) Stbl. n°. 42.

Sluiten