is toegevoegd aan uw favorieten.

Kalverstraat

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden, kon zoo dikwijls het schoolgeld niet op tijd voldaan worden . . . Dan had hij haar zien staan, piender, kwiek, levenswijs jodenvrouwtje, dat de menschen kénde . . .

«Juffrouw de Leeuw, David heeft zijn schoolgeld nog niet voldaan ...»

«Neen meester, God zal u zegenen meester, ik heb uw vrouw gezien met haar kind . . . wat een kind, wat een kind!.. om levendig öp te eten . . . wat een mooi kind! . . ziet u eens... 'k heb hier een trommeltje koekjes voor het kind meegebracht, laat-ie ze eten met gezond ...»

Hij zag zijn moedertje zoo dikwijls voor zich, nog jaren, jaren later . . . Met het kleine, magere, onderworpen lichaampje, het smalle ruggetje, de bruine oogen smeekend, vleiend, kruipend ... de witte muts op de zwarte, egaal gestreken bandeau ... en vóór haar, den langen, breedgeschouderden meester . . . een reus tegenover haar ... en zij met het opengehouden groengeschilderde blikken trommeltje, vol bruine koekjes, bestrooid jnet zwart, fijn-korrelig maanzaad. . .

Dan had de meester ze aangenomen, het trommeltje met jodenkoekjes van 't smeekende vrouwtje en wéér had hij een week uitstel van betaling gegeven.

En naar huis gaande met haar Dóvid, had ze om de leigesneden mond een malicieus grinimetje gehad en eerst later, later, had David die plotselinge verandering van groote vriendelijkheid vóór meester en kwaadaardige verbolgenheid buiten begrepen : «Nóh . . . een mooi kind . . . een gazzar ... met varkensooren ... nóh, moet-ie mijn kind manen 't zal hem wat hinderen om voor niks mijn Dóvid te laten asemen in zijn school... wat een gazar . . . mijn Dóvid, dat is een mooi kind . . .

De oogen van 't verbolgen jodenvrouwtje, dat zooeven gekropen had, zich tot een trap had aangeboden, strijdend voor haar kind, strijdend in hem voor haar ras, om het óp te brengen uit den modder, waarin het door 't lot was gedrukt, de oogen gingen nu langs den knaap, hoog naast haar, met zijn knokig, wit, ernstig gezicht. En nu was de mond weer zacht en de oogen, straks stekend met verborgen bruingouden-vonk van drift om dulden en verdragen, waren nu liefelijk en trots . . .