Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk V.

In het nieuwe winkeltje, dat Vlissingen schuin over zijn zaak in de Taksteeg gehuurd had, zouden geen potten, pannen of vazen worden verkocht. Treesje had dikwerf bij t verkoopen van vazen gemerkt, dat de klanten ook graag de bloemen of planten er bij hadden gekocht, die er in de étalage In stonden. Mantua bracht haar die, of hij raadde haar aan, welke bloemen of planten ze moest kiezen. Vlissingen, die een hel-roode geranium of een völ-bloemige fuchsia de mooiste ,,blommen vond, had eerst een beetje wantrouwig gekeken, toen Mantua zilverdistels, gedroogde halmen, judaspenning, zonnebloemen ot vreemd-gevormde, reukelooze orchideeën bracht. Treesje had het ook wel even vreemd gevonden, maar Mantua had een bos judaspenning geschikt in een bruingeglazuurde vaas met grijszilveren aderen en hij had de pastel-blauwe zilverdistels in een kobalt-blauwe Weener vaas gestoken en toen was hij in verrukking geraakt over de zachte vervloeiing der tinten en over de vormen der planten. Hij had een stukje grijs pakpapier van de toonbank genomen, had spelenderwijs van de zilverdistels een schetsje gemaakt. Eenmaal aan t schetsen kon hij zich niet bedwingen, ging op het lage Weener krukje zitten, begon zorgvuldiger te teekenen en na een half uur had hij de warrige, stekelige plant scherp en vast op het papier gezet. Peinzend

over zijn teekening zeide hij:

„Het winkeltje aan de overzij zou ik wel eens zoo willen decoreeren. Een eenvoudig zilverdistel-motief gestijleerd in randen ...

Het is een mooie plant en 't is een écht Hollandsche plant. Die heb ik uit de duinen meegebracht...»

Vlissingen, die Mantua niet begreep, meé-lachte als de Leeuw goedig gekscherend van hem sprak als van een < verschwartster nar,» maar die wél zag, dat hij door den man véél voordeel

Sluiten