Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En opeens zich om zijn hals strengelend met beide armen, geheel zich aan hem overgevend, nu teer en onderworpen, als bescherming aan hem smeekend:

«Ja, ja Mantua, ik heb je lief... ik heb je lief... Ik heb je al lief gehad, toen ik je voor 't eerst zag, voor het huis van Tognacca en Cossa, toen je in je lange witte kiel stond en mij zoo goedig aankeek ... En later, toen je bij ons kwam en toen je het marmer schilderde ... en toen altoos door wéér...»

Hij hief nu 't gelaat op, zag haar aan met betraande maar ernstige oogen.

«Kindlief, je moogt mij niet liefhebben... Je bent te jong ... je weet niet wat je doet... Ik ben een oud, afgeleefd man ... ik heb geen recht op je . . . ik zou misdadig zijn . . . En wij zijn van ander ras, van ander geloof. .. daareven . . . ik zweer het je . . . daareven heb ik de Moedermaagd voor mij gezien, die jou beschermde ... ik zweer het je . . . ik heb haar gezien. . .»

Zij keek hem in de oogen met dat diep ondoorgrondelijke licht, dat hem als 't stralen harer ziel zelve scheen.

«Als jij de moedermaagd zelve gezien heb, dan ben je van geen ander geloof. . . dan zijn wij van één geloof. . . Denk daar niet aan . . . doe als ik Mantua ... ik heb je lief, ik heb je lief en wil van niets anders hooren ...»

Zij bleef tegen hem aangeleund, met haar wang zacht tegen zijn baard. Zij zwegen beiden en lagen stil.

«Mantua,» riep zij zacht.

«Sybilla!» . . .

«Neen, neen . . . noem mij Treesje ... ik wil ik bij je zijn en geen fantaisie ...»

«Treesje . . . mijn Treesje!»

«Het zal wel vreeselijk moeielijk voor ons zijn om te trouwen.»

«Ja mijn kind . . . ontzaggelijk moeielijk ...»

«Willen wij naar de zee gaan ... jij en ik . .. en dan heel ver in de zee gaan ... en dan zoo . . . zoo . .. zoo . . .

En snikkend tot hem:

«Mantua, Mantua... ik heb je zoo lief... dat ik wou dat ik dood was en jij ook en dat wij eeuwig samen als geesten konden leven ...»

Sluiten