Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En daarna een klein, zwart Hebreeuwsch bijbeltje uit zijn zak halend, gaf hij het hem in de hand.

«Laaien mich dass amoal.»

Maar nauwelijks had Hirschfeld het boekje in zijn hand en het opengeslagen, of de oude man nam het boekje hem al weer af, met nu een trek van medelijden op 't gelaat.

«Schon koet, schon koet, isch hob es al gesehen. Een kój schlagt een tefillum niet van achter open . . . Geef m wat te eten.»

En zij, nu geheel rustig en zonder wantrouwen, kennend den zachten, gedweeën aard van den armen Jood, had hem een paar dikke boterhammen met kaas voorgezet en een kop koffie. Hij vertelde haar, dat hij naar Amsterdam wilde, dat hij een plaats ging zoeken in een Geschait, dat hij de oudste was van een familie van veertien kinderen. Maar hij had geen geld om naar Amsterdam te reizen, zou het loopen moeten, vroeg den weg. Zij had hem een gulden geleend, uitgeteld in dubbeltjes en centen en hahjes, hem een adres gegeven van een herbergje in Amsterdam, waar hij goedkoop zou kunnen slapen. En een bezoeker van den schaftkelder, natuurlijk ook een Jood, had hem naar de dilligence gebracht, onderhandeld voor hem met den voerman om een plaatsje op den bok en voor een kwartje was hij als «gesjochtene jonge» mee naar Amsterdam gereden.

Daar, in het herbergje in de St. Nicolaasstraat, had hij een landgenoot leeren kennen, een Christen, een breedgeschouderden Germaan, van goede familie, die gedropen was voor 't Einjahrige-Examen. Opgeroepen als gewoon recruut, was hij om de schande te ontgaan, naar Holland gevlucht als deserteur.

En tusschen deze twee lot- en landgenooten was dadelijk aansluiting onstaan. Lothar Richter, zijn uitgaven beperkend tot één kwartje daags, levend van paardenroggebrood en water met nu en dan één ei, kon niets vinden. Hij liep den heelen dag kantoren en winkels af, bood zich aan voor 't minste werk. Maar zelf een bijna gelukte poging om in een Duitsch bierhuis tot vatenwasscher te worden aangesteld mislukte, toen zijne papieren niet in orde bleken.

«'Raus Schweinhund!» had de bierhuishouder geschreeuwd. «Ich habe vor den Düppeler Schanzen gestanden. . . Ich bin

Sluiten