is toegevoegd aan uw favorieten.

Kalverstraat

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

muntend kokend, staande 's morgens om zeven uur al achter 't fornuis om soep te koken voor een enkelen klant, die daarvan hield, wist in den slappen, energieloozen Lothar, die haar niet huwen kon, omdat zijn papieren niet in orde waren, een nieuwen mensch te ontwikkelen. En zij ging naar den directeur van de brouwerij, wist-gebruik maar geen misbruik makend van den invloed eener mooie, jonge vrouw, dezen te bewegen, haar Lothar een grooter bierhuis in de Warmoesstraat af te staan en nu trok de mooie Elly, bekend en bewonderd en in stilte ook verlangd door héél veel jongelieden, daar naar heur bierhuis de klanten van het Franziskaner- en het Bürgerbraü en het Dortmunder, hoewel zij slechts Hollandsch bier verkocht van een jonge brouwerij, die nog geen goed brouwsel leverde.

Harry Hirschfeld, met zijn vijihonderd mark en zijn in t bierhuis opgedane kennis van zaken, begon van voren af aan, den handel te leeren. Hij zorgde er voor allereerst zich netjes in de kleeren te steken, begon toen naar een betrekking van bediende te solliciteeren en werd, na veel moeite en een borgstelling van 300 Mark, geplaatst in een manufactuur-magazijn als bediende tegen twaalf gulden sweeks. Maar hij verteerde niet veel meer dan de helft. Al van t eerste oogenblik, dat hij o-eld had verdiend, stuurde hij naar zijn arme ouders kleine bedragen, die hij overgespaard had. Als hij een week lang geteerd had op brood en water en een enkel ei, rekende hij uit, hoeveel hij verteerd zou hebben, als hij vleesch gegeten had en kalfslever en zuur gesnoept en soep en bier gedronken. Dat bedrag zond hij weg naar Frankfort met een brief, waarin hij niets van zijn groote armoede vertelde, maar integendeel opsneed over het «steinreiche» Holland, hoe hij vooruitging, hoe hij spoedig méér zou kunnen zenden. Van zijn twaalf gulden stuurde hij er 's weeks vier naar Frankfort. In den winkel was hij overijverig, las in de oogen van den patroon diens wenschen, diende, als een trouwe slaaf. Maar de andere bedienden haatten den ijverigen, gedienstigen, braven jongen. Zij trachtten den «Mof», «den onderkruiper», «den gatlikker» te «pesten.» Doch hij verdroeg en keek uit zijn oogen.

Er was een oude bediende in de zaak, plaatsvervanger van den patroon, die er genot in vond, den armen, ijverigen man