Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er uit», zeiden ze. En reeds als Hirschfeld kleinigheden veranderde, werden ze rumoerig, begonnen te protesteeren.

Suzanne zette hem aan om flinker te zijn, om desnoods te ontslaan. Maar hij durtde niet.

<God bewaar mij. Ik zou verantwoording op mij nemen, dat zoo'n man zonder brood komt?...»

Het personeel, zijn zwakheid bemerkend, begon obstinaat te worden. Zij hadden er pleizier in juist dat te doen, wat hij verbood. Enkelen maakten er een heldenstuk uit, hem te brutaliseeren. Ze kwamen 's morgens een half uur te laat, overtuigd dat de Mof tegen hen toch geen bek dorst open te doen.»

Op een dag kwam een bediende eerst om twaalf uur aan den winkel.

„Waar bent u zoolang geweest?" vroeg Hirschfeld.

,,lk heb eens een beetje gebommeld!" zei de man brutaal.

Hij wilde zwijgen, maar zag opeens het oog van Suzanne, vurig van toorn, op hem rusten. En opeens, als bij ingeving, zei hij:

„Gaat u dan maar weer heen om verder te bommelen.

U bent ontslagen."

„Daar heb jij niets over te zeggen, vuile Mof..."

„U bent ontslagen. Gaat u heen of ik laat u met geweld de deur uitzetten ..."

„Als je mij aanraakt vuile Mof, sla ik je op je gluiperige smoel . . . leelijke verrajer! . .

Hirschfeld keerde zich om, liep naar het privé-kantoor van den patroon. Die liet den brutalen bediende boven roepen, berispte goedmoedig diens te laat komen, maar zeide tegen Hirschfeld, dat hij van een jongmensch wel eens wat door de vingers kon zien.

Sedert was zijn toestand nog pijnlijker. Hij begon er over te denken, van betrekking te veranderen.

Maar Suzanne kwam hem te hulp. Zij vertelde haar oom eens duidelijk waarop het stond, verweet hem, dat hij een zoo trouw en bekwaam man als Hirschfeld niet waardeerde . . .

Hij hoorde haar kalm aan en zei daarna onwillig:

„Ik heb óók wat tegen dien Mof. Je hebt ze noodig, maar onderkruipers zijn het."

Sluiten