is toegevoegd aan uw favorieten.

Kalverstraat

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed ,.. goed . .. wees maar niet zoo bang ... ik heb geen ziekte ... of heb jij daar óók al van gehoord . . . Praatjes hoor . . . Laster . . . Mijn vrouw heeft blindedarm-ontsteking . . . dat heeft ze al héél lang onder 'r leden gehad . . . Als je 't niet geloof, kom dan maar eens naar 'r kijken ... Bij mijn thuis zal je met liefde ontvangen worden ... Nu jnfïfrouw Trees . . . dan zal ik maar eens naar je vader gaan ... je schijnt haast te hebben ... je loopt als een locomotief. . . dag juffrouw!" Hij tikte even tegen zijn stroohoed en bleef stil staan, liet haar passeeren. Zij had gestadig het hoofd angstig afgewend gehouden, was steeds sneller gaan loopen in een aandrang om van dezen man, van wien zij een afkeer had, weg te komen. Nu hij eindelijk achterbleef, voelde zij zich verlicht, vond het niet kwaad, dat hij haar vader boodschappen zou, waar zij héén was geloopen.

Op de Leliegracht zocht zij eerst naar 't huis van Potgieter, keek nu naar de overzijde, trachtte aan de vensters te raden waar Mantua kon wonen. Hij zou toch wel andere gordijnen dan de gewone menschen hebben, tenminste iets waaruit bleek, dat hij er was.

Doch de vensters keken haar niets-zeggend aan, waren allen suf-gewoon, neteldoekjes, valgordijntjes en horretjes.

Maar heel hoog, boven het hoekhuis aan de Prinsengracht, zag zij hem plotseling staan voor een geopend zolderluik.

„Mantua! Mantua! riep zij, wuivend met haar handje naar boven.

Hij hoorde haar niet, zag haar niet, staarde droomend naar een vaag punt in de verte over de huizen heen.

Zij, liep de brug over. . . duwde een klein, dubbelslaand deurtje van een smallen aparten opgang open, klom moeielijk langs den steilen trap op en toen nog een trap en toen nog een en nu een kleinere . . . Hier moest de zolder zijn . . ,

Boven was het donker. Een plat luik sloot den zolderopgang boven af en een kier licht schemerde door de voegen heen.

Zij duwde met haar hand tegen het luik, dat zwaar en piepend öp-sloeg.

Toen ze op den grooten zolder stond, zag ze Mautua nog altijd aan 'traam staan. Hij had niets gehoord, scheen in