Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Ich hob mein schmoel verbrannt, ich hob mein schmoel verbrannt! Gót zal alle Jiddekindere bewaren voor zoon ongeluk. . . Ich hob mein schmoel verbrannt. . . iewaai . . . iewaai!. . .

Hij ging op een fluweelen bank liggen, zijn wang steunend op zijn*hand, het hoofd heen en weer knikkend en kreunend, tusschen het gezang door, sprekend méér tot zichzelf dan tot

,de vrouw van de kok:

«Een schlemiel blijft een schlemiel... zoo heb ik mij de sappel gemaakt en daar treft mij de schlag! .. . Adesjem, wat heb ik misdaan, dat ik zoo getroffen word! . .. Die zijn vader en zijn moeder vermoord heeft, wordt niet zoo getroffen als ik . . . Wat heb ik misdreven om zoo gestraft te worden?. . ." Hij stond op, liep achter de tafels langs.

«Hoe is de soep?» vroeg hij aan Isidor Goudsmit, den slager. «De soep is goed ... wat je noemt écht goed ... Ik zeg het niet omdat ik het vleesch heb geleverd . . . maar de soep is goed ... een écht fijn kracht-soeppie ...»

«Oei oei . . . oei . . .!» kreet Nathan . . . nog dieper bedroefd, nu het gederfde genot te grooter bleek. En met een

ernstig gezicht tot Goudsmit:

«Goed, zeg je, goed? Ik moet het van hooren zeggen hebben. Wat zeg je van zoo een ongeluk ... Ik neem een droppie soep om te proeven . . . een droppie zeg ik je . . . niet meer dan op een suikerlepeltje gaat en ik verbrand mijn tong en mijn verhemelte ... Ik kan niks meer proeven ... 't is mij of ik leer eet. . . Wat zég je van zoo'n ongeluk?...»

«Drink een beetje melk», raadde de slager vertroostend aan. «Dank je .. . een doodzonde er bij doen . . . dank je . . . Milch und Fleischting te gelijk eten .. . dank je voor je kosjere raad ... ik ben al genoeg gestraft...»

En hij liep door met bedroefde oogen, ziende naar t smakelijk soeplepelen van de andere gasten en bij zijn moeder gekomen: t'k Heb «ragmones» met mijzelf. . . nee ... k wil uw «simge» niet bederven, 'k Zal 't u later wel vertellen.»

Hij liep naar Ricardi, die hem met zijn stokje wenkte. Het bruidspaar boven aan de tafel genoot. De oude Simon de Leeuw had, terwijl de anderen hem en zijn vrouw toezongen, vaag blikkend naar al die bewegende, schreeuwende, druk-

Sluiten