Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opzette. Een maand lang hadden de twee plezier in de zaak. Toen gingen zij slecht leven. Eiken dag was er ruzie en het echtpaar wierp elkaar met den winkelvoorraad naar t hoofd. Nauman trad als bemiddelaar op, kocht tegen gereed geld den heelen inboedel, natuurlijk voor een prikje, en de twee waren vertrokken, alles aan Nauman achterlatend. Sommigen zeiden, dat Nauman héél rijk was en eigen huizen had. Maar met het zware gezin, waarvoor hij, de oude man, alleen had te zorgen, leefde hij bekrompen en armoedig.

Aan David De Leeuw had hij een goede gehad. Dat was nu al jaren geleden, maar hij herinnerde het zich met plezier. Toen de groote winkel van De Leeuw geopend was en hij een oogenblikje met De Leeuw gesproken had, wist hij, Nauman, al dat die man eenmaal bij hem te land zou komen. Daar zat te véél hart in. Een koopman moest geen hart hebben. De bediendes deden nét waar ze «geischik» in hadden. En verkoopen tegen fantasie-prijs! Die man had te véél kosten en die zaak was niet op een gezonden voet opgezet. Hij had toen De Leeuw in toog gehouden. Eén jaar, twee jaar, drie jaar, vier jaar. Hij was taai . . . hield zich langer boven water dan Nauman gedacht had. Maar toen de concurrentie aan de overkant kwam en daarna de uitverkoop met Ricardi als hoofdpersoon, toen had hij tot zichzelf gezegd; «Pas op Nauman. nou kom jij aan de beurt.»

Hij was aan de beurt gekomen. Een paar weken na den dood van den ouden De Leeuw. . . eerst nog een bruiloft, toen een sterfgeval en daar hadden ze Naumannetje binnen geroepen. Niet dat hij De Leeuw een kwaad hart toe had gedragen. Waarachtig niet. De oude De Leeuw «olev hesjolem» was een braaf, goed man geweest. Zooals die man gestorven was ... In de Kille zeiden ze nu nog, als iemand mooi gestorven was, «hij heeft een sterfbed gehad als Sjimme De Leeuw.» Al zijn kinderen en kleinkinderen om zich heen. Hij was weggegaan van de aarde zooals een ander weggaat aan een «jontof» naar de «sjoel.» Heb je gezorgd voor de «lewaaie» had hij nog aan zijn zoon gevraagd «Ja vader.» «Nou dan mijn jongen. God zegen je. God Borreghoe wacht mij.» Zoo was hij ingeslapen en wèg was hij geweest. God zou hem, Mozes Nauman

Sluiten