Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweest. Straks zullen wij de mooie beelden uit het Grieksche bloeitijdperk gaan zien. Dan zal ik je toonen, hoe de waarlijk mooie beelden van mannen de zachte welving, de teere ronding hebben, die verwaande spier-bruten nu verwijfd zouden heeten."

Na die gesprekken 's morgens gingen zij beneden ontbijten en daarna begonnen zij hun wandelingen door Parijs. Het waren bezoeken aan de musea het Louvre het Luxembourg aan kerken. Zij zwierven langs de boekenstalletjes aan de quais, gingen tegen den namiddag door de Champs Elysées, bleven in het Bois den zonsondergang afwachten. Of hij nam haar mede naar de groote magazijnen, de Bon Marché, de Printemps en dan wilde hij alles voor haar koopen, zou het geheele slinkende kapitaaltje hebben uitgegeven aan zijden rokken en kleurige linten en fijne kanten, als zij niet zeide, dat zij dat al had en dat ook, en dat niet kon dragen.

Zij had tehuis van hem reeds vrij aardig Fransch geleerd. Op haar verzoek sprak hij nu gestadig Fransch en zij. nauwlettend toeluisterend, trachtend hem te volgen in de dikwerf hooge vlucht zijner gedachten, leerde eiken dag iets meer, antwoordde hem moedig, zich niet schamend om bij t missen een Hollandsch woord in de plaats van 't Fransche te zetten.

En haar bewonderende liefde voor Mantua nam toe. Hij was haar vader, haar onderwijzer en haar minnaar tegelijk en desondanks onbeholpen in t leven, alléén verstandig in t nietmaatschappelijke. En dan die vrijheid, die rijke, groote, onbelemmerde, onbekommerde vrijheid. Hoewel zij altijd dicht tegenelkaar gearmd liepen, hij groot en zwaar, met zijn breede, grijzende baard, zijn gedeukte, grijze flambard; zij fijn, slank, Tenger, dicht tegen hem aan, haar hoofdje maar reikend tot onder zijn schouder, — was in al die dagen, ook in de volksbuurten, die zij 's avonds als de werkstertjes en de arbeiders naar heur woningen trokken gingen bezoeken om de typen uit het volk te zien, hun nog niet één ruw woord toegevoegd. Geen sterveling had hun nageschreeuwd, was opzettelijk tegen hen aangeloopen, had hun uitgelachen.

«Wat is dat mooi, wat is dat heerlijk, die vrijheid hier!» riep zij dikwijls uit, in-gelukkig dat haar Mantua niet, zooals in Amsterdam, telkens door straatmenschen werd gehinderd met woord en blik en daad.

Sluiten