Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk VIII.

De Osjessluis was afgebroken en het water tusschen het Rokin en de Kalverstraat gedempt. Vlissingen was op zijn hoede geweest en hij had een der huizen aan het nieuwe Spui vóór de demping goedkoop gekocht, betaald met heel zijn gespaard kapitaaltje en een hypotheek.

Hij had nu door den aannemer, die ook het bloemenwinkeltje had vertimmerd, het ging goed en werd door een winkeljuffrouw gedreven, het nieuwe huis laten inrichten en zijn ideaal, een winkel aan de breede straat te hebben, met véél véél ruimte en véél licht, had hij nu bereikt. Aan de Spuizijde étaleerde zijn bediende, want in zijn nieuwe zaak had hij één bediende en een winkeljuffrouw-boekhoudster, alléén het dure en fijne goed en aan de Taksteegzijde de waren voor 't kleinere publiek. In het eerste half jaar van Treesje's verdwijning, had hij zich goed gehouden, met kracht een opkomend verlangen naar zijn kind onderdrukt. Maar nu 't hem goed bleef gaan, nog altijd den heelen dag zittend in zijn winkel, begon hij veel aan haar te denken, peinsde er over haar terug te gaan halen.

Zij schreef geregeld brieven uit Parijs, die hij ontving, las, maar nooit beantwoordde. Het ging haar en Mantua heel goed. Ze hadden een groot atelier gehuurd in de Rue Boccador bij de Avenue Marigny en Mantua verdiende veel geld. Hij schilderde uitsluitend dames uit den voornamen stand, had op de groote tentoonstelling een gouden medaille gekregen voor een portret en zij waren nu al rijk. Als vader geld noodig had, zou hi j het maar zeggen. En in een anderen brief schreef zij, dat Mantua beroemd werd, dat hij een hooge ridderorde zou krijgen, dat de couranten vol stonden van zijn werk, dat hij zoo goed voor haar was, dat zij gelukkig waren en dat zij

Sluiten