Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zag in zijn verbeelding nu den winkel, den verlaten winkel en hoorde het geschreeuw op de Zaterdagavond-markt, zag de venters staan hoog op hun stellages in 't rosse schaduwvlekkerige licht der goudwalmige petroleum-fakkels . . . Hij hoorde Japie zijn zoete koeken kwakkend tegen elkaar slaan, zingend boven het volk uit zijn: « Wat benne ze zoet, wat benne ze zoet...»

Half huilend was hij met zijn moeder weggeloopen van het feest, meegegaan als een op stukjes-draaien betrapten schooljongen, zich zelf aanklagend, bewust wordend van de verwaarloozing van zijn plicht.

Toen hij van de St. Anthonie sluis in de verte het beginnend geschreeuw hoorde van het marktleven, bleef hij stilstaan.

„Memmele ... ik durf niet verder te gaan . . . Memmele gaat u vooruit. . . mijn hart bonst mij tot me keel ... ik bezweer je, als ik mijn goeie goed niet anhad, sprong ik zóó hier van de sluis om mij te verdrinken in 't water ... ik kan geen stap meer doen ... ik kan den winkel niet meer zien . . . Morgen ben ik toch patroon-af. .. Wrat heb ik met de zaak verder te maken ?. . ."

Maar zij nam hem vertroostend bij den arm, suste hem,, méé huilend:

„Kom maar, mijn Nathan . . . kom maar, mijn schönkat. . . ze zalle niet an je komme, of ik vlieg ze an . . . d&t heb je ervan . . . om zoo'n kój uit te noodigen . . . vraag wat het noodig had, een kój te brengen op een feest van weldadigheid van rèschaffe Jidde ...»

„Wat praat u ?. . . Ik wou, dat ik een kój was . . . een vloek zeg ik, is het een jid te zijn . . . dat dank ik nou allemaal an mijn jid-zijn . . . had ik ja zijn rede uitgesproken zooals hij hem mij gegegen hèt, dan was er niks gebeurd . . ."

„Spuck aus . . . Was? Mijn zoon Nathan zou zoo'n riesjesrede uitspreken . . . Als dat je vader beleefd had! . . . Die had het meteen bestorven ..."

Ze liepen langzaam door de Breestraat, stonden nu in 't geroezemoes der lawaaiige, vergulde avond-markt. . .

„Ik benij ze moeder, die daar staan achter hun stalletjes. . . God gaf, ik stond daar al zoo . . . bedelen zullen wij moetea

Sluiten