Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk XI.

Het ging slecht ia de zaak van Ricardi. Jane had altijd zoo'n beetje het geld bij elkaar gehouden. Als er een wissel of een accept betaald moest worden en de deurwaarders kwamen, dan had ze op 't alleruiterste oogenblik nog altijd een centje achteraf, verkreeg nog een uitstel, bracht eeu paar juweelen ringen of haar paarlen oorbellen naar de lommerd en het bedrag kwam zoo bij elkaar. Ricardi schaamde zich dan als hij zijn vrouw zonder haar ringen en oorbellen zag en hij ging een uitpakking in een provincie-stad houden, vertoonde zich niet, voor hij weer een som gelds bijeen had en den dag, waarop hij, zooals hij zeide, zijn vrouw loskocht, was voor beiden altijd een feestje. Want zoodra als zij weder haar ringen en oorbellen droeg, stond Ricardi er op, dat zij zich een beetje onder de menschen zou vertoonen. Zij ging 's middags een uurtje bij de familie De Leeuw boven voor 't venster zitten, bracht wat snoeperij voor de kinderen mede, maakte daarna met Ricardi een wandelingetje door de Kalverstraat, langs den Nieuwendijk, eventjes met haar man stilhoudend bij al zijn bekenden. Hij vroeg hoe t in de zaken ging, maakte een praatje en onderwijl gaf Jane gelegenheid haar mooie ringen en oorbellen te doen bewonderen.

Het gebeurde ook wel, dat Jane aan Ricardi's stemming merkte, dat haar man met spel grof verdiend had. Ze stond dan s morgens vroeg op, doorzocht zijn zakken en zijn portefeuille, haalde er al het geld uit, legde het weg in haar cassette en als Ricardi er haar om vroeg, begon zij ruzie met hem te maken, verweet hem zijn losbandig gedrag. Hij liep dan baloorig de deur uit, blij van haar gelamenteer af te zijn, beproefde met de paar rijksdaalders, die zij hem had gelaten, opnieuw zijn geluk.

En Jane was blij tenminste dat geld weder gered te hebben, bewaarde het voor 't oogenblik dat het noodig zou zijn.

Sluiten