Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk XII.

Den heelen nacht had Nathan Souget zwaar geronkt. Hij had niet gedroomd, had geslapen als een doode. Maar om zes uur was hij wakker geworden en metéén bij 't eerste ontwaken, had hij zich zijn ongelukkigen toestand herinnerd. Hij was opgestaan, had zich onder de pomp in 't keukentje gewasschen. Onder het wasschen voelde hij zich wat moediger, kreeg het denkbeeld, te trachten Molly te verteederen door een ruiker, vaag hopend op een redding van hare zijde.

Op rde aanrechttafel stond een schotel met zoogererwten, lekkenij uit de buurt, die zijn moeder wel eens een enkele maal maakte, gele erwtjes, week gekookt en met zout en peper bestrooid. Hij nam een erwtje uit den schotel, drukte het voor zijn open mond tusschen duim en wijsvinger uit de schil en liet de twee helften van 't erwtje naar zijn keel schieten. Toen deed hij 't zelfde met nog een erwtje en nog een erwtje en ging zoo voort.

«Wer ischt da? Bischt du es Nathan?» riep zijn moeder, half ontwaakt in de bedstee van 't aangrenzende kamertje en 't gemakkelijke jiddisch sprekend in haar slaaproes.

cja mèmmele ...»

«Was machst de da?»

«Was ich mache? Ik sta me te vergiftigen, ik eet me de dood!

De moeder was met een angstige beweging schuin uit de bedstede gegleden, kwam nu, het gelaat krijwit, op bloote voeten, in haar witte nachtsjek naar de keuken.

„Is me dat den dood schrikken. Hoe kan men een moeder zoo de stuipe op 'tlijf jagen!" zei ze verwijtend, toen ze Nathan rustig zag staan, snoepend van 't bord zoogererwten.

«Ben je geschrokken? Bij God, ik ben nog meer geschrokken; 'k zal hier doodblijven, als ik niet wou dat het vergift was.»

Hij stopte zijn mond vol met een hand erwten, kouwde ze

Sluiten