Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nathan voelde zich door die rust rondom wat moediger, begon te neuriën: «De bloem, die gij mij toe ging werpen.»

Maar in de nauwe Hoogstraat, waar de zon niet scheen, voelde hij zijn moed zakken.

Wat zing ik? Hoe kom ik er toe te zingen? Ik loop toch achter mijn eigen lawaaie. En ik zing Vrötte Carmen. Wil me niet uit mijn hoofd. Wat is Carmen ? Hoe kan men zich de sappel maken over Carmen as men straks op straat gezet staat. Ben ik dan heelemaal mesjogge.»

Maar diep-in leefde de hoop op redding. Hij vertrouwde op zijn gesternte. Hij kénde Molly, zou wel een gijntje vinden, waardoor ze in de lach schoot. Maar toch zei hij in gedachten tot zichzelf treurige dingen, maakte zichzelf overdreven verwijten met het vage vertrouwen, daardoor het ongeluk te verzoenen, het ontslag af te wenden.

Dicht bij de Achterburgwal was in een dwarsstraatje een bloemenkeldertje. Nathan had er wel kleine ruikertjes besteld voor feestuitvoeringen, had er ook den grooten krans voor Orelio gekocht, flirtend met Roosje, de oudste dochter van den bloemist, een vies meisje van zeventien jaar, met te korte beenen en een zwabberigen boezem.

«Dag mijnheer Souget, dag mijnheer Souget,» riep de moeder van achter, waar ze aan t binden was van kleine ruikertjes viooltjes. «Roossie, Roossie, kom is even!»

«Dag mijnheer Souget!» zei het meisje, terzij uit een nauw deurtje komende. Wij hebben het vandaag druk. Dat zal u wel weten.»

„Ik dank u voor de rikkemendaassie!" zei de moeder, haar dochter met de oogen aanmoedigend, dichter naar Souget toe te gaan om hem gelegenheid te geven, een beetje met haar te stoeien, zooals hij dat gewoon was, als hij hier in 't winkeltje kwam.

Het lag Nathan op de lippen om te vragen, voor welke recommandatie hij bedankt werd. Maar hij bedacht, dat hier wellicht de gelegenheid zich voordeed, een ruiker voor niets te krijgen. Daarom zei hij:

,,Nou, bint u tevreeie? Heb ik niet om u gedacht?

„Of ik tevreeie bin! 't Zal wel waar zijn. 'k Zeg daarnet

Sluiten