is toegevoegd aan uw favorieten.

Kalverstraat

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Daniël Ricardi, Pension Schönfeldt, Aken," begon hij te schrijven. „Condoleer u met uw groot verlies. Blijf waar u bent. Hier groot gevaar."

Dat is nog niet voldoende, bedacht hij. Hij schonk een glas limonade in, dronk het zachtjes smakkend uit en zette het glas neer.

„Hoe breng ik hem aan 't verstand, dat er hier politie-zaken zijn ? Een goed verstaander heeft een half woord noodig." Opeens viel hem wat in.

„Juist, juist. Dat zal het zijn. Hij zal wel goochem genoeg wezen om te begrijpen, dat niemand spotten zal met den dood van zijn vrouw. Als ik er dus die witz er onder zet, weet-ie genoeg. En in elk geval heeft Nathannetje dan gedaan, wat met redelijkheid van 'm te verwachten was."

Nathan kende een grapje, dat Ricardi hem zelf verteld had. Bij Mozes Stodel was op een nacht ingebroken. Mozes sliep boven en zijn huishoudster beneden. Die was wakker geworden door het geraas, dat de dieven maakten. Een der dieven was toen op de vrouw toegesneld met een mes in zijn hand om haar te vermoorden.

„Laat mij voor ik sterf nog eenmaal bidden!" had ze gesmeekt. Dat was door den dief toegestaan. Toen had ze zich in bed opgericht en had, doende alsof zij een Hebreeuwsch gebed uitsprak, vrij luid gezongen:

Rebbe Moos, Rebbe Moos,

D'r zijn genovem in 't baajes,

Ich kann sie nicht bedibberen,

Sonst bringen Se mir um gajes.» (J)

Dat had ze driemaal steeds luider herhaald en de dieven hadden pret gehad in de bevende, bibberende en toch zingende oude Jodin in bed. Maar boven was Mozes Stodel wakker geworden, had zijn huishoudster verstaan, een vleeschmes gegrepen en zich toen in de kamer gestort, waarop de verschrikte dieven de vlucht hadden genomen.

i) Rebbe Mozes, Rebbe Mozes,

Er zijn dieven in 'thuis.

Ik kan ze niet tot rede brengen, Anders brengen ze mij om 't leven.