Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

F

gebenedijde ons lijfts Heeren Jesu Christi ende allen sijnen lieven Heylighen ende sonderlinghe in der eeren der Heyligher onverscheyder Dryvoldicheyt ende der eerweerdigher, gebenedijder Moeder ende Maghet Maria ende der Heyligher jonckvrouwen Sinte Marien Magdalenen ende Sinte Barbaren ende alle Sancten ende Sanctinnen"; de stichting geschiedde met de uitgesproken bedoeling, dat de stichter (G. Jacobssen), zijne ouders, vader en moeder, en allen, die „tot desen outaer ende vicarie hoer goet geven ende hoer aelmissen mede deylen" zouden, mede deelachtig zouden worden „alle der weldaden, missen, getijden ende afflaten, die daer toe staen ende opgedaen sullen werden"; „des soo geve ick", aldus ging de fundateur voort, „voor mijn siele ende mijn ouders sielen ende all mijnre vrijnden, die my goet gedaen hebben, tot dier papelicker proeven dese naebeschreven guederen ende renten" ; hierop volgde de omschrijving dezer goederen; de inkomsten ervan zouden door hem, die „besitter" was van „desen autaer ende vicarie", d. w. z. „die priester off die klerck, die dit voorscreven altaer ende vicarie van my gegeven wert ende bedijnt", worden geheven en gebeurd („heffen ende boeren"), aan welke bevoegdheid verschillende verplichtingen werden geknoopt: hij, de vicaris, moest o. a. priester zijn, of klerk, mits oud en geleerd genoeg om binnen één jaar na zijn begiftiging met deze vicarie priester te worden, en verschillende missen op het altaar der vicarie lezen; werd hij niet binnen het jaar priester, dan was hij door het verloopen ervan vervallen van alle rechten op de vicarie; kwam de vicarie te vaceeren, dan moest binnen zes weken na het openvallen de „gifft" ervan gedaan worden door den collator der vicarie, die, in geval hij deze zijn verplichting niet nakwam, voor dat maal vervangen zou worden door den Deken van Wijk bij Duurstede; gedurende zijn leven behield de stichter zich het collatierecht voor, terwijl hij bepaalde, dat na zijn overlijden dit recht zou overgaan op zijn oudsten zoon in leven, etc. *); „ende op dat dese fundatie ende alle punten,

i) „Gifter" der vicarie zou zijn: i) de stichter, zoolang hij leefde. 2) Na zijn overlijden zijn oudste zoon in leven. 3) Was geen zijner zoons meer in leven, dan „die van die outsie gecoomen is knapelick ende wittelick kint wesende".

Sluiten