Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maagd Maria, St. Johannes den Dooper, St. Maarten, St. Peter, St. Paulus, St. Anthonis, St. Rochus, St. Job, St. Anna, St. Elisabeth „en alle Gods Heyligen"; „des soo geve ik", ging zij voort, de nabeschreven goederen1); de priester of klerk, „die dit voors. autaer vicarie gegeven sal worden en bedient off laet bedienen", die m. a. vv. „besitter wezen zal van de altaer of vicarie", was verplicht zekere missen te lezen, en binnen Wijk te wonen, en gerechtigd daarvoor de inkomsten van de goederen te „heffen en beuren" en er „sijne wil" mede te doen; verder regelde zij, wie „gifters en collatoors" zouden zijn; zij zelve benoemde den eersten vicaris, aan wien zij verklaarde de vicarie om Gods wille te hebben „gegeve", „alsoo dat hy die zal mogen hebbe en die vruchten daer aff zal mogen gebruiken"; na haar dood zouden hare drie dochters „collatoors en gifters" wezen, en na haar overlijden „die oudster geboort die van dese drie dochteren gekomen zijn, dat een manspersoon is, en altijd die manspersoon voor dat vrouwspersoon, alwaart dat saeke dat die vrouwpersoon ouder waer dan de manpersoon, ende alsoo voort die naaste altijt gekomen van dese bloede; ende waart "zaek, dat dit voors. bloedt verstorven waar, en geen van haare bloede en leefde, dat God verhoede moet, soo sullen collatoors en gifters wezen van deese vicarie voors. die Deeken van der kerke van Wijk en die Pater vande Jufferenklooster binnen Wijk"; bij voorkeur moest de vicarie gegeven worden aan een van den bloede van de fundatrice en haar echtgenoot; en „eer dat hy ingeleyt zal worden in der poscessie van der vicaryen", werd verder voorgeschreven, moest hij zijn eed doen aan het kapittel zijner kerk, gelijk een vicaris schuldig was te doen; en ten slotte, „opdat dese fundatie en alle puncten hierinne begrepen vast ende stede blyven tot inder eeuwigheid", verklaarde zij den Bisschop, Frederik van Baden, te verzoeken dat hij „deze fundatie en dotatie van dezen autaer" wilde „confirmeren" en het geschonken „goet des voors. autaers en vicarey" wilde „mortificeren" om „eeuwiglijk geestelijk goet te blijven".

I) Naastlegger van het geschonken land was o. a. „ile Buurkerk tot Utrecht".

Sluiten