Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 2. Verheffing van een officium tot beneficium ecclesiasticum.

Reeds wees ik er op, dat het ecclesiastieke of geestelijke karakter een juridieke qualiteit was, die niet alleen aan zaken, maar ook aan personen, lichamelijke en onlichamelijke, verleend kon worden. Hierop zou men evenwel kunnen zeggen, dat het geestelijke karakter van een persoon iets anders was dan dat eener zaak, en tot op zekere hoogte zou men hierin gelijk hebben. Het is daarom noodig, de mortificeering van beneficiale goederen zelve tot voorwerp van onderzoek te maken *). Hiertoe is in de eerste plaats vereischt, dat men zich strikt houde aan de woorden, die de Bisschop koos voor zijn handelingen; verondersteld mag en moet worden, dat het in casu gebruikelijke formulier de 'woorden inhield, die de begrippen, welke zij formuleerden, dekten. En dan is het reeds aanstonds duidelijk, dat van de aanvaarding van een aangeboden eigendomsrecht of welk ander vermogensrecht ook door den Bisschop en nog wel voor „de Kerk" met geen enkel woord melding werd gemaakt. Immers hoe luidde het formulier?

i) Mr. Muller (1. c. p. 200, noot) ziet te recht in de leer der beneficia de sedes materiae voor de oplossing der vraag naar de rechtspositie der geestelijke goederen; rechtstreeks handelt hij w. i. w. slechts over de vicariegoederen, maar naar zijn eigen uitspraak (p. 200) geldt hetzelfde voor de pastoriegoederen, en m. i. dient men ook de kerkegoederen in hetzelfde licht te beschouwen.

Hetgeen Mr. M. in deze passage verder zegt, laat ik voor rekening van den geleerden auteur; in den loop mijner beschouwingen zal ik gelegenheid hebben er nader op in te gaan.

De bedoelde passage nu luidt aldus: „De quaestie, die ik hier incidenteel bespreek, schijnt mij van het allergrootste belang voor |de regeling der vicariegoederen. Is het inderdaad juist, zooals ik meen, dat eene vicarie, wier goederen niet ge. mortificeerd waren, geene vicarie was, dan vervallen alle vicariegoederen thans aan den Staat, behoudens het tegenbewijs van den collator, dat zijne vicarie eene uitzondering op den regel maakt en dus ten onrechte eene vicarie genoemd is. Werd het tegendeel aangenomen, dan zou de Staat bij elke vicarie vooraf de mortificatie moeten bewijzen, hetgeen reeds daarom eene onmogelijkheid zou zijn, omdat de stukken eener vicarie gewoonlijk onder den collator berusten. Wel is het ook zonder mortificatie zeer mogelijk, dat de stichter bij testament den eigendom der goederen heeft weggeschonken (wij zagen dit zelfs bij een officium geschieden), maar het zou de vraag zijn, of men aan zulk eene schenking nog thans op eene door den schenker niet bedoelde wijze zou kunnen uitvoering geven, wanneer niet van uitdrukkelijke aanvaarding bleek".

Sluiten