Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alzoo een officium. Duidelijk komt dit uit in de door van Bemmel x) medegedeelde verheffing van de door de weduwe van Henrik Both op St. Pontiaansavond (13 Januari) 1448 gestichte vicarie door Bisschop Rudolf van Diepholt: „ad humilem supplicationem discretae mulieris Aleydis Both, filiae Hermanni Joannis, ac relictae Henrici Both, fundatricis officii'-), de quo in litterïs quibus hae nostrae praesentis Litterae transfiguntur fit mentio fundationis illius officii 2), pro ut in eisdem Litteris describuntur, tenore praesentum ratificamus approbamus, et in Dei nomine confirmamus, jure dominorum Decani et Capituli, jurium et statutorum Ecclesiae Amisfurtensis semper salvo. Ipsumque officium juxta tenorem fundationis ejusdem in titulum perpetui beneficii'1) erigimus , ac bona ad illud in dictis Litteris assignata et in posterum assignanda, de caetero fore et esse Ecclesiastica decernimus, et sub Ecclesiastica Libertate tuenda. Et nihil omninus discretum juvenem Joannem Both clericum, dictae fundatricis fllium ex gratia singulari pro hac vice dumtaxat in Rectorem dicti officii 2) ad primarias preces dictae fundatricis, authoritate nostra ordinaria ducimus instituendum et instituimus per praesentes nostrarum Testimonio Litterarum".

Een vicarie in den zin van een beneficium ecclesiasticum was er dus niet, voordat de Bisschop de stichting had bekrachtigd en tot een benefice had verheven. Zonder deze uitdrukkelijke verheffing was er nog slechts een „officium", een „dienst". In den stichtingsbrief3) (van 1481) van een officium op het H. Kruisaltaar in de parochiekerk te IJhorst in Drente door Johan van Cloester met consent van den pastoor werd dan ook gesproken van een „officium" of een „dynst" of een „altaer", waarvan de stichter zich en zijnen erfgenamen (de „collatoers"), de „gyfte" voorbehield, 4) terwijl de mogelijkheid werd opengehouden voor den stichter en zijne erfgenamen van dezen „dynst" te „maeken een vicary", de gemaakte regeling of

1) A. van Bemmel: Beschrijving der stad Amersfoort, dl. I. pp. 103—109.

2) Ik cursiveer.

3) J. S. Magnin, De voormalige kloosters in Drenthe, 2de dr., pp. 127 sqq.

4) De bezitter van dit officium was gehouden den pastoor in zijn arbeid bij te staan en voorts tot de hem door den fundateur opgelegde verplichtingen, als het lezen van een aantal missen en het verrichten van andere ceremonieele handelingen.

Sluiten