Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eensdeels voor de stelling, dat de stichting, het rechtssubject, in het leven werd geroepen door den stichter en niet door den Bisschop, en dat de rol, door dezen laatste gespeeld, bestond in het c. q. verheffen eener stichting tot een beneficium, en anderdeels voor de juistheid der meening, dat de mortificatie der goederen niet was het aannemen van een aangeboden eigendomsrecht maar het verleenen van zekere eigenaardige juridieke hoedanigheden aan de goederen, die er het object van waren ?

Een officium, zoo zagen wij, kon dus zeer wel rechtspersoonlijkheid bezitten. Maar waarin school dan het verschil? Mr. Muller *) zoekt het in de al of niet afzetbaarheid van den geestelijke, die den dienst van het altaar waarnam; was de geestelijke door den collator van het ambt niet afzetbaar, was hij, zooals het heette, „perpetuus", dan was er een benefice, wel te verstaan als de Bisschop de stichting bovendien tot benefice had verheven; behielden de stichter en zijne erfgenamen daarentegen de vrije hand in het ontslaan van den geestelijke, dan was er een officium of dienst-). Tot staving

1) L. c. p. 200, noot.

2) In Het rechtsboek van den Dom van Utrecht door Mr. Hugo Wstinc, uitgegeven door Mr. S. Muller Fz. als no. 18 van de Werken der Vereeniging tot uitgave der bronnen van het oude vaderlandsche recht, gevestigd te Utrecht, eerste reeks, worden „beneficia" en officia" te zamen tegenover „ministeria" gesteld, met welk laatste begrip aangeduid wordt een bloot tijdelijk ambt of „officialitas", een waarnemen van andermans taak zonder dat de waarnemer een „recht" had; een officium daarentegen kon of „temporale" of „perpetuum" zijn, en kon, evenals een beneficium, rechtspersoonlijkheid hebben.

Wat Mr. Muller dus in zijn artikel, Collatierecht en incorporatie van kerken, een „officium" noemt, heet in het rechtsboek van den Dom een „ministerium."

Een bloot ministerium was bv. het ambt van proost van West-triesland; men leze hieromtrent de volgende plaatsen in het gemelde rechtsboek:. .. „prepositura Westfrisie vacare non potest, quoniam capituli est juridiccio; et capitulum jurisdiccionem per se exerceat vel alteri committat ad tempus vel in perpetuum, prout velit. p. 46.

„Prepositus Frisie aliud non est quam officialis capituli nostri per Frisiam; et posset committi per capitulum prepositura hec, immo officialitas, clerico simplici ad tempus, si vellent. Capitulum tarnen hactenus uni canonico prebendato hoe committere consuevit, quamvis non capitulari; et ideo nee curam habet nee dignitatem, nee impedit quem a quocumque beneficio vel dignitate alia; nee est beneficium neque officium in ecclesia nostra, sed ministerium nudum et officialis capituli p. 97. Cf. pp. 41, 42, 138, 224, 226, 230, 241, 242.

Sluiten