Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was de Bisschop er niet in gekend, dan was het slechts een „locum pium", waar de Bisschop geenerlei gezag over uitoefende. Dergelijke inrichtingen stonden geheel onder het wereldlijke recht en de wereldlijke Overheid: „omnino profana sive laïca". Ook al werd er „auctoritate Episcopi" een kapel in gesticht, in welke ten behoeve der in het hospitaal verzorgden „Ecclesiastica officia" werden verricht, het hospitaal zelf werd er geen „locum religiosum" door, evenmin als een vorstelijk paleis waarin een kapel werd ingericht, ophield een wereldlijke zaak te zijn *).

Een hospitaal echter, dat „auctoritate Episcopi" werd gesticht en dat „publico et ecclesiastico ritu" „ad usum religiosum" werd aangewezen, was een „locum religiosum", aan het gezag van den Bisschop onderworpen; in dit geval was niet alleen de hospitaalkapel maar het gansche hospitaal een

locum religiosum.

Voor het vermogen der hospitalen had deze onderscheiding geen ander belang, dan dat alleen over de tweede soort de Bisschop zekere superintendentie oefende, die hem oorspronkelijk toekwam over alle hospitalen, doch die in verloop van tijd öf geheel verloren was gegaan óf tot de tweede soort was beperkt geworden. Dit gezag van den Bisschop sloot niet uit, dat ook de wereldlijke Overheid haar taak omtrent de conservatie dezer piae fundationes, evenals ten aanzien der kerkfabrieken , vervulde 2); „quin et semper", zegt van Espen, „Ecclesia ipsos Principes tanquam speciales pauperum et miserabilium patronos et protectores suspexit". Want, hetzij ze loca religiosa hetzij ze slechts loca pia waren, de hospitalen waren en bleven lichamen van wereldlijken aard. Dit veranderde evenwel, wanneer een hospitaal werd geërigeerd „in titulum Ecclesiasticum", wanneer het door den Bisschop tot een beneficium ecclesiasticum" werd gemaakt 3). In dit geval werd het hospitaal met al zijne goederen het object van een recht, dat alleen aan geestelijken kon toekomen, werd het het

1) V. E., II. IV. VI. I. §§ 7. 8-

2) V. E., II. IV. VI. II. $ 29.

3) v. E., II. IV. VI. 1. § 10.

Sluiten