Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spronkelijk schijnt dit echter te hebben vrijgestaan; immers een uitdrukkelijke mortificatie door den Bisschop, die in het Sticht tevens het wereldlijke gezag bezat, kwam alleen voor te zamen met de vergeestelijking der goederen, zoodat derhalve kerkegoederen en goederen van hospitalen, begijnenconventen, broederschappen en andere wereldlijke lichamen ook niet „gemortificeerd" werden, of m. a. w. zonder meewerking der Overheid, zoo wereldlijke als geestelijke, in de doode hand gebracht werden. Mortificeeren — in technischen zin verstaan — schijnt oorspronkelijk dus in engeren zin te zijn gebruikt dan in de doode hand brengen, en niet van vergeestelijken te zijn onderscheiden i). M. i. is het echter juister steeds tusschen mortificeeren en vergeestelijken te onderscheiden en de bisschoppelijke mortificatie op te vatten als de verklaring, waarbij de handeling van den stichter of den schenker bekrachtigd werd en geconstateerd werd, dat de goederen voor goed voor den stichter of schenker en zijne erfgenamen verloren waren en in de doode hand waren gebracht. Maar hoe dit zij, uit de op p. 23 vermelde stichtingsacte van het officium te IJhorst blijkt duidelijk, dat niet alle stichtingsgoed „gemortificeerd" was reeds door het feit zelf dat het stichtingsgoed

lichamen de Groots Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid, uitgegeven door Prof. Mr. S. J. Foekema Andreae, Arnhem 1895, Dl. II, boek II. deel V. $ 7 Behalve de Landsoverheid hadden ook de Stedelijke Overheden in zake het in de doode hand brengen van goederen een woord mee te spreken.

Zoo stelde de Utrechtsche Raad op St. Servaasdag (13 Mei) 1446 eeu ordonnantie op dit stuk vast. Er werd in overwogen, dat reeds voor lange jaren door den Raad met gemeene morgenspraak van alle gilden „overdragen" was, „dat nyement sine weerlieke onruerende goede brengen en solde in geestelicker hant", en dat desniettegenstaande vc c goederen in geestelijke hand waren gebracht, „alse nyen cloesteren, zusterhusen ende anderen"; waarom de Raad gelastte: „Datmen alle onruerende goede ende eygendomme, die na der voerschr. overdrachte in geestelicker hant gecomen sijn in onser Stat ofte Slatvriheit gelegen weder inder weerlicker hant ende tot weerlieke. nutscap brengen sal', etc. Wanneer in het vervolg onroerende goederen in de geestelijke hand werden gebracht door verkoop, schenking of anderszins, dan zou de verkooper etc. „so vuel goets verbueren tot Stat behoef als hi inder geestelicker hant gebracht hadde, ende dat goet soude daer toe verbuert wesen ter Stat behoef'; etc.

's Raads dagelijksch boek. Stadsarch. Utr.

1) Mr. Muller 1. c. p. 199.

Sluiten