is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het amortisatieverbod; öf de overdracht kon nietig zijn óf de overdracht zelve kon intact worden gelaten doch de immuniteit kon worden ontzegd J).

Het tweede was natuurlijk onmogelijk als in de amortisatie zelve de eigendomsvraag haar oplossing vond. In deze lijn lag ook de bepaling, dat rechtspersonen niet op eigen naam een leen konden verwerven maar daartoe een sterfman moesten stellen, opdat het relief voor den leenheer niet verloren ging 2).

HOOFDSTUK III.

Kerkschenking.

§ i. Schenking van kerken etc. door het wereldlijke Gezag.

Zoodoende is evenwel nog steeds geen voldoend antwoord gegeven op de vraag3), wie eigenaar was der geestelijke goederen; uiteengezet is, waarin de oplossing dezer quaestie niet is te zoeken ; w. i. w. lag er in het meegedeelde reeds menige aanwijzing tot het nagestreefde doel, maar alvorens deze te verzamelen acht ik het gewenscht nog meer feiten bijeen te brengen.

Gelijk reeds op p. 47 is opgemerkt, rekende in de 8ste en de 9de eeuw het wereldlijke gezag zich bevoegd, ook kloosters en parochiekerken hetzij in leen hetzij in eigendom uit te

1) v. E., II. IV. IV. II. § 16.

2) Door Richter-D (1. c. pp. 1105 sqq.) wordt zeer juist in het oog gehouden, dat „res ecclesiasticae" geenszins identiek is met „patrimonium ecclesiae" of kerkelijk eigendom; „res ecclesiasticae im weitesten Sinn" zijn alle zaken voor de religie bestemd, direct (gewijde zaken) of indirect, onverschillig of ze het eigendom van kerkelijke lichamen of van leeken zijn; het ecclesiastieke karakter heeft niets met de eigendomsquaestie uit te staan.

In den tekst heb ik den term „bona ecclesiastica" in engeren zin gebruikt, n.1. niet voor alle voor de religie bestemde goederen , maar enkel voor diegene, welke door de geestelijke Overheid tot geestelijke goederen gemaakt zijn, hetgeen uit rechtsoogpunt juister is, daar de bestemming op zich zelve nog geen vergeestelijking was en de daaraan verbonden rechtsgevolgen meebracht.

3) Cf. p 16.