Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kapittel te zullen betalen 12 Rijnsche guldens, en zekerheid te zullen stellen, „die penningen te betalen ende der kercke van Tricht hoir goeden ende erven in eeren te behalden, die nyet te vercopen noch versetten noch versellen, then sy by dat capittel consent"; tevens verbond hij zich, „der kercken tyendcn van Tricht ende Buerenmalsen" zich „niet te onderwynden, int heymelick noch int openbaer, noch in te setten", behoudens zijn bevoegdheid om, als een ander ze had ingezet, een hoogeren prijs te bieden.

Van het in 1507 (24 Oct.) geschonken recht *), om aan een tijdelijken geestelijke, naar goeddunken te ontslaan, het bedienen der kerk van Tricht op te dragen, werd dus reeds spoedig gebruik gemaakt. Zijn bezoldiging zou hij vinden uit de pastoralia zelve; dit is merkwaardig, immers de kerk was geïncorporeerd 2).

De slotsom nu, die ik op grond van het meegedeelde in zake der kerkschenking meen te mogen trekken, is deze: wanneer een kerk geschonken werd door het geestelijke gezag, werd een ius sui generis verkregen op de pastorie — zoo men wil, een eigendomsrecht ervan —, terwijl het kerkgebouw en de kerkegoederen er buiten bleven; en wanneer de schenking geschiedde door het wereldlijke gezag, omvatte dit recht waarschijnlijk ook de kerkfabriek (waaronder het kerkgebouw).

Tot nu toe was het mij er voornamelijk om te doen, aan te toonen, dat de kerkschenkingen, althans die van het geestelijke gezag uitgingen, geen recht hoegenaamd op de kerkegoederen en het kerkgebouw medebrachten en dat ze voor de eigendoms-

1) Cf. p. 70.

2) Mr. Muller schrijft (p. 366) zonder hierop te wijzen: „Hem [d. i. den pastoor] werd gegeven het beheer en het genot der aan de kerk behoord hebbende landerijen en de inkomsten der „memorien"", etc. Behoord hebbende ? liet pachtcontract sprak integendeel van de goederen, die aan de kerk, aan het pastoorsbenefice behoorden, niet: behoord hadden. Dit nu kan wel een slordigheid zijn geweest, maar dan moet dit worden aangetoond of althans aannemelijk gemaakt; m. i. is het echter aannemelijker, dat wij hier niet met een onnauwkeurigheid te maken hebben, maar dat de pastoralia het eigendom der pastorie bleven, die zelve eens en vooral vergeven werd, althans vermogensrechtelijk, aan het kapittel, zoodat de terminologie der bedoelde overeenkomst in den haak was.

Sluiten