Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de spiritualia waren niet in dat bezit begrepen !). Toch kan hij aan dit denkbeeld ontleend zijn, hetgeen verklaarbaar is, als men in het oog houdt, dat het instituut der incorporatió quoad temporalia zich uit de volledige kerkschenking, krachtens welke ook het recht op den herderlijken werkkring van den pastoor verkregen werd, zich ontwikkeld heeft. Zoodoende was de naam evenwel niet ontleend aan den aard van het ambt maar was hij veeleer een reminiscens aan een vroegeren rechtstoestand.

Vicarissen waren geene plaatsvervangers in juridischen zin; wel kan men zeggen, dat zij als dragers van een geestelijk ambt naast de principale geestelijken eener kerk, hen hielpen den dienst Gods te bewerkstelligen, zoodoende hen in hun taak bijstonden, op hun terrein kwamen en hunne plaatsvervangers waren, al was er ook geen sprake van, dat zij hen vervingen in rechtens relevanten zin. Hiervoor pleit de omstandigheid, dat een missenfundatie „vicarie" heette en de betreffende geestelijke „vicaris"; dat het Canonieke recht onderscheidde tusschen „vicariae curatae" en „v. simplices", naar gelang er al of niet zielzorg aan verbonden was, terwijl hare bezitters „vicarii perpetui" heetten. In de derde plaats wijs ik op de acte van 7 Dec. 1389, waarbij de kapel van Tricht tot parochiekerk verheven werd 2); deze kapel, die eigen goederen bezat, stond ter collatie der St. Pieterskerk; de verheffing geschiedde onder de bepaling, dat de pastoor geen recht zou hebben op de parochietienden en dat deze aan het kapittel zouden blijven. Hoewel er dus geen kerk geïncorporeerd werd maar juist in het leven geroepen, werd niet gesproken van een pastorie maar van een „vicaria curata"; waarom? van plaatsvervanging was toch geen sprake, het kapittel had nooit de pastorie bezeten, want deze was er nooit geweest. In 1389 werd een vicarie in het leven geroepen, geen pastoraat, kennelijk

1) Cf. v. E., II. IV. III. I. 5 26. „Licet enim hujusmodi Presbyteri Parochiis praefeeti dicantur Vicarii, nullatenus tarnen dependent a suis Principalibus, quemadmodum mandatarii a mandantibus, aut delegati a delegantibus; sed titulum habent J>er se subsistent cm".

2) Mr. Muller 1. c. bijl. 10 in de „Oorkonden aangaande de Kerken van Buurmalsen en Tricht".

Sluiten