Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stond *) maar afhing van tal van omstandigheden, als den levensstandaard in een bepaalden tijd en op een bepaalde plaats en de eischen door de geestelijke verzorging der parochianen gesteld, dit alles te beoordcelen door den rechter 2). De eigenaar der kerk kon derhalve steeds worden aangesproken tot verhooging van het tractement, als het leven duurder werd of de parochie niet meer door één vicaris behoorlijk kon worden bediend maar den dienst van meerdere geestelijken behoefde 3). Slechts op hetgeen overschoot, nadat van de inkomsten van het pastoorsbenefice de voor het onderhoud van den vicaris benoodigde gelden waren afgetrokken, had de eigenaar van de kerk recht, in dien zin, dat hij dit restant ten eigen bate mocht aanwenden.

Deze op het kerkbezit rustende last werd door de canonisten, in overeenstemming met de gemelde clausule, die immers sprak van een gereserveerd gedeelte der pastorieinkomsten, geconstrueerd , niet als een bloot personeele verbintenis, maar als een zakelijke last, als een verplichting klevende aan het bezit der pastorie, rustende op den bezitter ervan als zoodanig *).

Op de goederen der geschonken kerk zelve had de vicaris niet het minste recht; met de kerspeltienden had hij zich niet in te laten, tenzij hem door den bezitter der kerk een gedeelte van deze was toegewezen. Zij konden, wanneer hun

1) Vandaar het op p. 45 meegedeelde beding, dat het kapittel van St. Pieter, dat de parochiekerk van Eemkerk bezat, onthief van de verplichting tot eventueele aanvulling van de competentie van den die kerk bedienenden vicarius perpetuus.

2) v. E., II. IV. III. II. § 2.

3). v. E., Tractatus etc. III. $ 8.

4) v. E., II. IV. III. IV. § 25. Tractatus etc. III. $ 7.

Mr. Muller (1. c. p. 214) geeft van de constructie door de canonisten aan de congrue portie gegeven een onjuiste voorstelling; in de plaatsen, die Mr. M. op het oog heeft, werd geen formeele constructie gegeven maar materieel de inhoud van het instituut geschetst. Evenmin als in den regel: „Bona non intelliguntur nisi deducto aere alieno" het recht van den schuldeischer werd geformuleerd, evenmin werd in een uitspraak als de volgende van v. Espen (II. IV. III IV. § 24): „Imo nee decimae Capitulis, Monasteriis aliisque concessae suilt, nisi prius deducta portione congrua; adeo ut tantum censea'.ur concessum quod ultra Parochi sustentationem superesse potest", bedoeld, dat formeel alleen dit overschot in de kerkschenking begrepen was.

Sluiten