Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zulks goed dacht, de tienden verdeden en op deze wijze de betaling der competentie regelen; in dit geval kreeg de vicaris een recht op de hem toegescheiden tienden, doch niet direct uit kracht van zijn competentie maar van de bijzondere overeenkomst, die hij met den bezitter der kerk getroffen had omtrent de wijze van uitkeering zijner bezoldiging i). Zonder dergelijke uitdrukkelijke toekenning van een recht op de goederen zelve van de door hem bediende kerk of pastorie was niet de vicaris maar het kapittel of klooster de „decimator", de „possessor decimarum" 2), en was ter aanduiding van zijn recht de naam „competentia" verkieselijker dan „congrua portio", aangezien, zegt van Espen, laatstgenoemd woord „videatur significare portionem seu partem Decimarum", op welk deel hij q.q. geen recht had 3).

De last der congrue portie toch drukte op het tiendrecht zelf, of ruimer, op het bezit der pastorie zelf, niet op de jaarlijks gei'nde tienden en opkomsten; werd de uitkeering den eigenaar der kerk te zwaar, dan kon hij zijn recht opgeven en de incorporatie ongedaan maken 4).

Op zich zelve bracht de congrue portie of competentie voor den vicaris geen risico mee; ze was hem het recht, om van den bezitter der kerk of pastorie betaling te vorderen van het bedrag, benoodigd om als pastoor behoorlijk te kunnen leven en zijne verplichtingen na te komen, niet zoozeer uit de pastorieinkomsten , maar ter zake van het bezit der pastorie.

1) v. E., Dissertatio etc. III. § 4. Tractatus etc., III. § 9.

Zoo bezat de vicarius perpetuus van Malsen, blijkens zijn eigen verklaring van 27 Mrt. 1313, „pro sustentacione sua" „quosdam agros, ad mensam presbyteri spectantes", terwijl overigens de pastoralia (de kerspeltienden) werden bezeten door het kapittel van St. Pieter te Utrecht.

Mr. Muller, 1. c., bijl. 2 in de „Oorkonden aangaande de kerken van Buurmalsen en Tricht".

2) Cf. o. a. v. E., II. IV. III. IV. $ 30, en II. IV. III. V. §§ 8, 12, e. a.

3) Dissertatio etc. III. § 5.

4) v. Espen vergelijkt de verplichtingen van den bezitter eener kerk quoad temporalia met die van den bezitter van een met een jaarlijksche uitkeering bezwaard onroerend goed; en met die van den bezitter van land gelegen aan een weg, rivier of zee: „onus reficiendi aggeres". Tractatus etc. III. § § 7, 9. J. E. II. IV III IV. § 25.

Sluiten