Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het risico drukte hem slechts dan, wanneer een gedeelte der pastoralia hem aangewezen was, om uit de inkomsten daarvan zijn onderhoud te vinden; aangezien de hiertoe noodige overeenkomst echter niet in harmonie was met de strekking van het instituut der competentie, had de vicaris steeds het recht, om van deze wijze om aan zijn geld te komen afstand te doen, een jaarlijksche vaste uitkeering te vorderen, en het risico zich van den hals te schuiven *).

HOOFDSTUK VI.

Benoeming van den bezitter van een beneficium

ecclesiasticum; collatie, presentatie, institutie en inbezitstelling.

Wie benoemde den „rector ecclesiae"? Aan wien ontleende deze zijn recht?

Dit was onder het Canonieke recht een belangrijke strijdvraag, die ik evenwel alleen behandel, omdat ze, zij het dan in gewijzigden vorm, ook na de Reformatie haar belang heeft behouden.

In de eerste Middeleeuwen 2) benoemden de bezitters van kerken de voor de bediening van deze noodige geestelijken, geheel buiten den Bisschop, wien overigens gewoonlijk de benoeming toekwam, om. Hiermee kon de Kerk geen vrede hebben, en zoo werd het rechtens, dat de bezitter eener kerk den priester aan den Bisschop had te presenteeren om van hem zijn institutie te ontvangen; waardoor hij ten opzichte der pastoorsbenoeming in dezelfde positie kwam te staan als de patroon eener kerk, wien reeds in de 4de of 5de eeuw volgens van Espen een „jus nominationis seu (uti hodie vocatur) praesentationis" competeerde3), vooral ook sedert de Kerk het

1) v, E., II. IV. III. IV. §§ 19, 20, 23, 25, 26, 27. Tractatus etc. III. § 9.

2) Cf. p. 63.

3) II. III. VIII. I. jj 6, 7.

Sluiten