Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

perpetuccle vicariaat eischtc, dat in zijn ambtelijk karakter geheel aan het pastoraat gelijk was. Uit dien hoofde gelden de volgende beschouwingen zoowel voor het patronaat- of collatierecht als voor het kerkbezit. Aangezien een vicaria perpetua een beneficium ecclesiasticum was evenals een pastoraat, kan de vraag ook aldus worden gesteld: door wie geschiedde de begeving van een beneficium ecclesiasticum? Zoodoende is ze echter tevens uitgebreid, daar een vicaria perpetua en een pastoraat beneficia curata waren, d. w. z. beneficia aan welke zielzorg verbonden was, en derhalve slechts een deel der beneficia vormden, in tegenstelling met de overige, de zgn. beneficia simplicia ^). Dit onderscheid schijnt mij evenwel voor de onderhavige quaestie van geen beteekenis te zijn, zooals uit de hier volgende voorbeelden zal blijken; de uitoefening der zielzorg wordt wel als een bevoegdheid opgevat, die niet reeds uit de institutie op zich zelve voortvloeide maar uitdrukkelijk van wege den Bisschop verleend werd; zoo in het algemeen kan men dit echter niet zeggen 2).

Om tot de benoeming van een bezitter van een geestelijk benefice te geraken was de samenwerking van den patroon of collator van het benefice en van het geestelijke gezag (Bisschop of Aartsdiaken) vereischt. Dit staat vast. De vraag is echter, welke rol in dezen door elk van beiden gespeeld werd.

Men herinnere zich de reeds meegedeelde voorbeelden 3), die ik met nog enkele zal vermeerderen, waaruit blijkt, dat de terminologie w. i. w. vrij constant was doch niet zonder uitzonderingen.

In den fundatiebrief Aan het klooster Minnendaal *) Was aan dit convent het recht gegeven door het kapittel van St. Pieter te Utrecht om een vicarius curatus of perpetuus te nomineeren

1) Of de aldus uitgebreide quaestie ook de geestelijke ambten, die niet tot beneficia verheven waren omvat, durf ik niet met zekerheid te verklaren, al zijn er bij van Espen ook verschillende aanwijzingen te vinden, die ten gunste van een dergelijke uitbreiding pleiten.

2) Cf. Hinschius 1. c. II. p. 452 en Richter-D. 1. c. p. 581. Cf. pp. 82, 83, 100.

3) Cf. pp. 13, 14, 23, 45.

4) Cf. pp. 43 sqq.

Sluiten