Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die binnen 6 maanden na het ontstaan eener vacature moesten „presenteren aan den Bisschop bij voorkeur een der naaste bloedverwanten van den stichter, die priester was of het binnen het jaar wilde worden.

De fundateur zelf presenteerde G. J. van Blockhoven , „clericus Traiectensis , schoon slechts 8 of 9 jaren oud, hem den last opleggende om, zoo hij den 24-jarigen leeftijd bereikt had, priester te worden, op straffe van privatie van het benefice, en de verordineerde missen te lezen of te doen lezen i).

Op de presentatie beschikte de Bisschop aldus: „in et ad dictam vicariam nobis per prefatum dominum Fredericum fundatorem presentatum [G. de Blockhoven] primaria vice instituimus, illamque sibi cum omnibus et singulis iuribus et pertinentiis suis contulimus et conferimus per presentes" 1).

Hier zij opgemerkt, dat, wanneer een beneficium werd gesticht, hetzij curatum hetzij simplex, de eerste bezitter ervan den Bisschop, de latere den Aartsdiaken werden gepresenteerd; de inhoud van het op de presentatie genomen besluit veranderde daardoor echter niet 2).

Den I2l'en Maart 15 34 werd door den Aartsdiaken Johannes Slacheck omtrent een in hetzelfde klooster gevestigde vicarie of perpetueele kapellanie, de volgende beschikking 3) genomen: „pure et simpliciter propter Deum cum omnibus iuribus et pertinentiis suis contulimus et conferimus per presentes ac sibi de eadem providimus et tenore presentium providemus, ipsum instituentes in eandem et investientes principaliter de eadem"; aldus gemotiveerd: „quod eius [sc. vicariae] collatio, provisio

1) Rijksarch. Utr. Charters Wittevrouwenklooster. Op p. 22 deelde ik reeds het een en ander er uit mee.

2) Het verleenen van institutie was oorspronkelijk de taak van den Bisschop; langzamerhand kwam het echter in handen van den Aartsdiaken; en wat in den beginne op bloote delegatie steunde werd in verloop van tijd een recht.

Cf. v. E., II. III. IX. I. $ g; II. in. ix. II. 5, 6; I. XII. I. § 6.

Wat het Utrechtsche Bisdom betreft, in 1293 werd tusschen Bisschop Johannes en den Domproost-Aartsdiaken een transactie gesloten, bewerkt door den Aartsbisschop van Keulen, waarbij hun jurisdictie geregeld werd en o. m. werd bepaald: „Quod idem prepositus et Major archidyaconus Trajectensis clericos sibi presentatos instituere et investire,. .. habet et potest." Het Rechtsboek van den Dom, p. 63.

3) Charters Wittevrouwenklooster.

Sluiten