Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aartsdiaken werd „geïnstitueerd ; zoo door het geestelijke gezag ook al „geconfereerd" werd, dan kwam dit woord niet in de plaats van „institueeren" en „admitteeren" maar het werd er aan toe gevoegd.

Het schijnt mij toe, dat een scherpe scheiding tusschen het recht, dat uit de nominatie door den patroon en dat uit de institutie door het geestelijke gezag voortvloeide, niet wel te maken is. In elk geval had de genomineerde reeds een recht op het benefice, — als ius ad rem construeerde men het, — zoodat de nominatie meer was dan een bloote voordracht. Maar het volle recht erop had hij zoodoende nog niet; evenzeer als de Kerk had weten te bewerken, dat het „altaar" niet in leckenbezit kon wezen, evenzeer stond zij er op, dat ook de begeving ervan niet door leeken geschiedde, dat m. a. w. de bevoegdheid tot het uitoefenen van eenig geestelijk ambt door haar en niet door leeken werd verleend *).

Altaar en Kerk, zoo zagen wij, was een onderscheiding tusschen de finanticele en de ambtelijke zijde van het pastoorsbenefice, tusschen de geldelijke (temporalia) en de herderlijke bevoegdheden (spiritualia) van den pastoor, die in verschillende handen konden zijn en gescheiden konden worden, waardoor het benefice als zoodanig echter uiteenviel; bleef het in zijn eenheid gehandhaafd, dan was kerk-altaar slechts een onderscheiding.

Het komt mij voor, dat het deze onderscheiding is, die ook ter verklaring van het collatierecht van belang is 2). Door de collatie van den patroon werd den gebeneficieerde de weg geopend tot den geldelijken kant van het benefice, kreeg hij recht op het beheer en het genot van de goederen van het benefice, terwijl de Bisschop of de Aartsdiaken hem den toegang tot het altaar ontsloot, hem bevoegd maakte tot het waarnemen van zijn functie. Het waren twee zijden ééner zaak, die, evenals wij dit zagen bij het kerkenbezit, wel gescheiden

1) Cf. Hoofdst. X. § 2. no. 2. En het Rechtsb. v. cl. Dom p. 265: „Gasperde spectat etc. Men kan deze tegenstelling ook als beneficium-officium (off. verstaan in den

engen zin van kerkelijk ambt) formuleeren. Cf. Hinschius 1. c. II. p. 368-

2) Cf. v. E., II. III. VIII. VIII en IX.

Sluiten