Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De stichting van het kapittel in dei ^erk had plaats met toestemming van den „rector" der Kerk Johannes de Rora, en van de „perpetui cappellani" ervan, Philippus, Henricus en Johannes de Havic, die in handen van den Bisschop afstand deden, de eerste „sue ecclesie" en de laatste drie „beneficiorum suorum", die hen ontsloeg „a dictis ecclesia et beneficiis et vinculis quibus tenebantur eisdem". De Stedelijke Overheid, die het patronaatrecht van deze drie kapellanieën („Rectoresque et magistratus universitatis oppidi predicti, ad quos nominatio seu presentatio cappellanorum ad cappellanias predictas pertinuit") bezat, schonk (libere donaverunt") dit eveneens aan den Bisschop, die het namens de St. Joriskerk („vice et nomine dicte ecclesie") aanvaardde.

„Posthec", zoo ging de Bisschop voort, „cappellanias predictas extinximus, fructusque proventus jura et' pertinentias earundem confudimus miscuimus incorporavimus et univimus ecclesie antedicte". Eenige schenkingen aan de St. Joriskerk gedaan, nam hij namens deze Kerk („vice dicte ecclesie") aan. Vervolgens verhief hij deze tot een collegiale kerk met een kapittel van wereldlijke kanunniken, bestaande uit tien kanunnikdijen, een dekenschap, een schatmeesterschap en een zangmeesterschap, waaraan hij het recht schonk een gemeen genootschap, zegel en kist te hebben („jus habendi collegium, sigillum et archam communes"); en alle rechten verleende hij hun, die naar recht of gewoonte aan kanunniken en anderen, die „dignitates, administrationes et officia" hadden in gecollegieerde kerken, in zijn bisdom toekwamen, met name het recht om in burgerlijke zaken naar aanleiding van contracten en delicten eerst te recht te staan voor den Deken en, als deze sloffig was, voor den Bisschop en den Aartsdiaken, gelijk tot nu toe placht te geschieden. De begeving van de prebenden, het dekenschap etc. („providere") zou geschieden door den Bisschop, aan personen, die aan bepaalde vereischten voldeden;

den stichtingsbrief en van tle beide andere acten op p. 7° vermeld vindt men bij van Bemmel, 1. c. I. pp. 66 sqq.; door v. B. zijn ze overgenomen uit van Heussen en van Rijn, Batavia sacra of Kerkelijke Historie en Oudheden van Batavia, II. pp. 185 sqq.

Sluiten