Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treffende verklaarde het kapittel, dat het „bi wille ende consent Heren Boudewiin Heye ewich vicarius van Sinte Johans Baptisten outaer in onser kerken voerscreven" dit huis, „toebehorende Sinte Johans Baptiste outaer in onser kerken voerghenoemt" in erfpacht uitgaf aan Aleyt van Bellinchoven.

Was de formuleering dezer huurcontracten nu onjuist? De stichtingsbrief kende in ondubbelzinnige bewoordingen het eigendomsrecht van zekere goederen aan de St. Pieterskerk toe en gaf den vicaris slechts een recht op de inkomsten ervan. En de huurcontracten? Het eene sprak van het verhuurde goed als toebehoorende aan de kerk en de vicarie, terwijl het andere rondweg zeide, dat het de vicarie toebehoorde. Was dit nu niet zoo? Men onderscheide. In welk opzicht behoorde het goed aan de kerk en aan de vicarie, eigendomsreehtelijk of uit anderen hoofde? Op zich zelf doet „toebehooren" aan een eigendomsrecht denken, maar ook in ander opzicht kan een zaak iemand toebehooren. De kerk had het eigendomsrecht, en in zooverre behoorde haar het goed toe; de vicarie had recht op de inkomsten, en in zooverre behoorde het haar toe. Uit den fundatiebrief zijn de huurcontracten in dezen zin te begrijpen; op zich zelve genomen zou men echter, gegeven het gewone gebruik van „toebehooren", er uit afleiden, dat het bewuste goed vicarieeigendom was; misschien was dit van het bedoelde goed ook werkelijk het geval. Bij de juridische constructie van dergelijke handelingen en hare gevolgen staat men dus op niet al te vasten grond.

Dit is zeker, dat van geen beneficium ecclesiasticum en dus ook van geen vicarie in den strikten zin des woords sprake kan zijn, wanneer niet blijkt van een verheffing van de fundatie tot geestelijk benefice en van een amortisatie van de goederen door den Bisschop; er is dan een officium, al dan niet met rechtspersoonlijkheid voorzien; welk laatste dubium slechts met behulp van den stichtingsbrief en de betreffende rechtshandelingen of andere aanwijzingen kan worden opgelost.

Ook deze geestelijke officia, onverschillig of de bezitters ervan een levenslang recht er op hadden of niet, werden wel vicarieën genoemd. Men houde dit wèl in het oog, opdat men niet, afgaande op een blooten naam, aan de ermee aangeduide

Sluiten