Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van deze goederen nu gold onvoorwaardelijk hetgeen ik omtrent beheer en beschikking heb meegedeeld '). Doch ook aangaande het vermogen van andere religieuze en pieuze stichtingen , die niet in den technischen zin des woords geestelijk waren, als kerkfabrieken, armenfundaties, hospitalen en verschillende officia werden vaak dezelfde regelen omtrent beheer en beschikking toegepast. Dat ook voor de beheerders van deze lichamen van geene onbeperkte vrijheid van handelen sprake was of kon zijn, ligt voor de hand; ze werd uitgesloten door de vaste bestemming der goederen, die een toezicht van overheidswege noodzakelijk maakte. Naar recht kon de geestelijke Overheid hier niet op dezelfde bevoegdheden aanspraak doen gelden, als haar ten aanzien der eigenlijke geestelijke goederen toekwamen; de wereldlijke Overheid was het, die hier op haar eigen terrein verkeerde, en van haar houding hing het in de eerste plaats af, in hoeverre kerkmeesters, H. Geestmeesters , regenten van gasthuizen en hospitalen, bestuurders van begijnenconventen e. a., aan de geestelijke autoriteit rekenplichtig waren en haar goedkeuring behoefden op hunne beschikkingen , omtrent het aan hunne zorgen toevertrouwde vermogen. Dat in deze materie overigens geene algemeene regelen te geven zijn, springt zoodoende in het oog.

Als beperking van de beschikkingsbevoegdheid der bezitters van geestelijke goederen werkte ook het recht der geestelijke Overheid van in de vermogensrechtelijke verhoudingen in te grijpen door b.v. geestelijke beneficiën op te heffen, te splitsen, te vereenigen en te verplaatsen, en in het algemeen het vermogen van een geestelijke stichting ten behoeve eener andere

I) Of voor de vervreemding van kloostergoederen het bisschoppelijke consent vereischt was? v. Espen (II. IV. V. IV. ${ 2,, 22) eischt het niet; hij zegt enkel, dat de kloosteroversten er niet toe bevoegd waren zonder de inwilliging der kloosterlingen. Cf. I. XXXI. § 7.

Dat het echter wel voorkwam, dat ook hier het consent van den Bisschop noodig

was of althans gevraagd en verleend werd, blijkt uit de ruiling d.d. 3 Oct. 1413,

aangegaan door het convent van Vrouweklooster en het klooster Vredendael, waartoe

door den Bisschop verlof was verleend (25 Sept.): „Concedimus in Domino facul-

tatem", „ut... commutare possitis"... de „pecias terre", aan partijen „spectantes et pertinentes".

Sluiten