Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIII.

Gehoudenheid van den bezitter van een beneficium

ecclesiasticum om bij te dragen in de kosten der kerkfabriek.

In het algemeen verplichtte het Canonieke recht de bezitters van beneficia, om bij te dragen in de onderhoudskosten van de kerk, waarin ze gefundeerd waren, om aan de kerkfabriek een gedeelte hunner inkomsten af te dragen !). In verschillende wetten, zoowel van wereldlijken als van kerkelijken oorsprong werd aan de in een kerk gebeneficieerden en aan de leeken, die kerkelijke goederen 'bezaten, de verplichting opgelegd bij te dragen in de kosten der kerkfabrieken. Van deze verplichting ontheven was de pastoor (of vicarius perpetuus), die zich met een pastorale competentie had tevreden te stellen 2). W. i. w. was hij bezitter van de vicaria perpetua, maar van deze waren de inkomsten juist voldoende om hem volgens zijn positie te doen leven en dus niet voor besnoeiing vatbaar. Als bezitters van de pastoorsbenefices der bij hen geïncorporeerde kerken waren de kapittelen en kloosters, „et alii ad quos decimae et proventus Ecclesiarum sunt devoluti", gehouden te contribueeren aan de kerkfabrieken 3). In den regel was men slechts tot een zeker evenredig deel van het jaarlijksche inkomen der goederen, die veelal in tienden bestonden, als maximum gebonden, „ne alias contingat ob Ecclesiarum ruinas ipsos decimarum possessores subito et inopinato ad egestatem deduci" 4).

Zoo kon de Heer van Buren dan ook den Ssten Apr. 1597 5) het kapittel van St. Pieter gelasten de kerk van Malsen, te doen herstellen, daar de pastorie bij het kapittel geïncorporeerd

1) Cf. Eichhorn, 1 c. II p. 805 sqq.

2) v. E. II. II. I. VI. H 10, II.

3) Ook zij, leeken of geestelijken, die zonder dat hun de kerken geschonken waren, de tienden ervan bezaten, waren uit dien hoofde tot bijdragen verplicht cf. v. E., II. II. I. VI. } 13.

4) v. E., II. II. I. VI. $ 14.

5) Cf. p. 71.

Sluiten