Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was en de kerspeltienden in zijn bezit waren. Afgezien nu van de vraag, of het geven van dit bevel den Heer van Buren toekwam, dient opgemerkt te worden, dat hij in elk geval het kapittel te zwaren last oplegde; dit toch was wel gehouden tot zekere contributie in de kosten van herstel maar niet tot de reparatie zelve en in haar vollen omvang.

Hoe het kapittel zich in deze quaestie verder gedragen heeft, is mij niet bekend.

Een dergelijke moeielijkheid rees voor hetzelfde kapittel uit het bezit van de kerk van Tricht, den 24.sten Oct. 1507 bij de St. Pieterskerk geïncorporeerd.

In 160J !) werd het aangesproken door de kerkmeesters van Tricht voor den Hoogen Raad van Holland, om de reparatie van hun kerk te zijnen laste te nemen. Het geding werd ten gunste van het kapittel beëindigd; de Hooge Raad ontzegde den eischers („Kerckmeesters ende Parochianen vanden dorpe van Tricht ) hun eisch en verklaarde, dat de verweerders („Deecken ende Cappittularen van S.*e Pieterskercke tot Vuytrecht") niet gehouden waren tot de herstelling van de Trichtsche kerk, w. i. w. „met rijpe deliberatie", doch helaas zonder eenige motiveering. Uitvoerig vermeldde de Hooge Raad daarentegen de beweringen van partijen. Door de eischers werd gesteld, dat de gedaagden het tiendrecht van de Trichtsche vruchten hadden en het recht van „collatie vande pastorye aldaer", dat de kerk van Tricht „henluyden was toebehoorende" en dat deze „zeer onstelt ende ontrampeneert" was en dreigde in te storten, tenzij er een groote reparatie bewerkstelligd werd, welke te doen „de voorss. kereke ende de fabrijeque derselver geen middel van goeden hadden", „hoewel daeromme de verweerers gehouden waren de voorss. kereke behoorlick te repareren ende in wesen te houden." Klaarblijkelijk werd de eisch dus gegrond op het bezit van de Trichtsche tienden door het kapittel.

Van hun kant gaven de gedaagden een tamelijk breede schets van de historie der Trichtsche kerk; „die van Tricht ende die

1) Ct. P. 72.

Sluiten