Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juist de verwarring van de feiten met hun theoretische verklaring , die de bron is van het meeningsverschil, dat over het recht omtrent de bedoelde goederen heerscht, en van het zonderlinge karakter van verschillende te dezen opzichte gegeven voorstellingen. De theorie heeft haar goed recht, mits zij zich naar haar aard bepale tot de verklaring van de feiten en niet behalve op de levering van de verklaring ook op die van het te verklaren materiaal aanspraak make.

De Middeleeuwsche rechtstoestand werd beheerscht door de tegenstelling: wereldlijk-geestelijk; door haar viel hij uiteen in de sfeer der leeken en die der geestelijken, elke geordend door de tegenstelling van Overheid en onderdanen tot een zelfstandig rijk !).

Tweeërlei Overheid, tweeërlei onderdanen, tweeërlei recht, tweeërlei rechter, tweeërlei executiemiddelen, tweeërlei personen , tweeërlei zaken, tweeërlei rechtsverhoudingen; aldus was het rechtens, welke toestand in de leer der twee zwaarden zijn wetenschappelijke constructie vond.

De goederen, die onder het gezag van de geestelijke Overheid en den geestelijken rechter stonden, waren geestelijke goederen of bona ecclesiastica, evenals de personen, die aan dit gezag waren onderworpen, personae ecclesiasticae waren, hetzij physieke hetzij moreele.

Geestelijk werd een zaak, wanneer ze met goedvinden van de wereldlijke door de geestelijke Overheid werd geamortiseerd of gemortificeerd en tot bonum ecclesiasticum verklaard, met alle daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. Dit geschiedde slechts ten opzichte van die goederen, die aan geestelijke lichamen of aan geestelijken q.q. behoorden, en wel hetzij rechtstreeks ten opzichte van bepaalde door hen reeds bezeten goederen hetzij in het algemeen voor alle goederen door hen nog te verkrijgen.

i) Hiermee is niet gezegd, dat het Canonieke recht in zijn vollen omvang in de Nederlanden kracht van wet had. Of dit het geval was, is mij niet bekend; op welke wijze het rechtsterrein tusschen de wereldlijke en de geestelijke Overheid verdeeld was, laat zich niet in het algemeen aangeven.

Uit den Religievrede van 1579 blijkt, dat het in Utrecht in zake van het huwelijk bindend was. Cf. afd. II. Hoofdst. I. § 2.

Cf. de Inleiding van de Groot, uitg. door Mr. Fockema Andreae. Dl. II. p. 8.

Sluiten