Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ming gaf, voor goed hebben afgestaan. En ook werd geen kerk, uitgezonderd natuurlijk een particulier oratorium, gewijd en voor den eeredienst geopend, wanneer de stichter ervan zijn eigendomsrecht op het stuk land, waarop het kerkgebouw zou verrijzen, niet prijs gaf en bovendien geene goederen schonk voor de inrichting en het onderhoud ervan — al werd aan dit laatste niet de hand gehouden — en voor het onderhoud van den pastoor, voldoende om dezen naar zijn stand te doen leven. Zoowel van het kerkgebouw en de kerkegoederen, als van de pastoriegoederen, ging het eigendomsrecht voor den stichter verloren; daarna volgde, doch alleen voor de pastorie, de verheffing door den Bisschop tot beneficium ecclesiasticum en, doch alleen voor de pastoralia, de mortificeering of stempeling tot bona ecclesiastica.

Afstand van het eigendomsrecht van al deze goederen was conditio s. q. n., om de goedkeuring van een kerkstichting door de geestelijke Overheid te verkrijgen. Tot belooning gaf het Canonieke recht dan aan den stichter het patronaatrccht van de door hem in het leven geroepen fundatie: „patronum faciunt dos, fundus, aedificatio"; ten gevolge waarvan men o. a. de bevoegdheid had den bezitter van het office of benefice te benoemen, onder de verplichting nochtans hem aan de geestelijke Overheid voor te dragen, om door haar in zijn ambt geïnstitueerd te worden.

Onverschillig was het, of de kerkstichting uitging van een groote der aarde, dan wel of ze ondernomen werd door de parochianen van het toekomstige kerspel zelf1); de bevoegdheden , die uit de kerkstichting naar het Canonieke recht voortvloeiden , kwamen in het eerste geval den patroon toe, in het tweede competeerden zij aan de geburen der parochie, hetgeen den inhoud van het recht veeleer verminderde dan vermeerderde, daar de verschillende bevoegdheden van één patroon, als de eererechten en het recht op alimentatie, uit den aard der zaak niet konden worden geldend gemaakt, althans niet dan zeer gewijzigd, door de populatie van een geheel kerspel, bovendien nog samengesteld uit lieden van allerlei rang en

I) Cf. Hinschius L c. II. pp. 637—639.

Sluiten