is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

casu de analogie met de feuda niets dan een petitio principii is, springt in het oog.

Ook Phillips !), die evenwel het dominium divisum slechts bij wijze van analogie te hulp roept ter constructie van de rechten van de Algemeene Kerk en de bijzondere kerkelijke instituten op de geestelijke goederen (het recht der Algemeene Kerk vergelijkt hij met het dominium directum, en dat der instituten met het dominium utile), poogt door werkelijke juridische argumenteering het eigendomsrecht van de Algemeene Kerk te bewijzen. Hij erkent de rechtspersoonlijkheid der instituten — die is dan ook niet te loochenen —, maar betwist, dat zij ooit eigendomsrechten verkregen hebben of verkrijgen kunnen. Ten betooge van dit laatste nu beroept hij er zich op „dasz die einzelnen kirchlichen Institute die ihnen bestimmten Schenkungen und Legate nicht anders als durch Acceptation des Bischofs erwerben können". Deze noodzakelijkheid nu, zoo voert hij verder aan, is een gevolg van het feit, dat de Bisschop is „Mitglied des die ganze Kirche reprasentirenden Episcopats"; zoodat het de Algemeene Kerk is, die de aangeboden goederen als de hare aanneemt en aan de particuliere instituten, voor zooverre zij hare instituten zijn, in en door hun „Eingliederung" in de Algemeene Kerk als zoodanig bestaan en rechtspersoonlijkheid hebben — in parenthesi zij opgemerkt, dat wij hier met een contradictio in terminis te doen hebben —, zeker genotsrecht inruimt op die goederen.

Van deze voorstelling van de bisschoppelijke approbatie en mortificatie, die, zooals wij reeds gezien hebben, ook door de Heeren Verloren en Kleyn gegeven wordt, is geen woord juist; men vergelijke hetgeen ik daaromtrent reeds heb meegedeeld, met een verwijzing naar hetwelk ik hier kan volstaan.

Anderen zochten juist bij voorkeur in de analogie hun sterkte,

I) Lehrbuch, pp. 686 sqq ; cf. bij Hübler 1. c. pp. 103—105.

Ph. breekt zelf reeds over zijn theorie uit rechtsoogpunt den staf door te erkennen, dat „das weltliche Recht die einzelnen kirchlichen Institute vollstandig als Eigenthümer anerkennt".