Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke gemeenschap of vereeniging, en als het subject van het voor hare behoeften dienende vermogen ]). Hoewel ze door het sedert de Reformatie weer op den voorgrond gebrachte personeele kerkbegrip w. i. w. niet geeischt maar toch zeer zeker gesteund werd 2), vond ze toch ook voor den vóór-Gereformeerden tijd hare verdedigers, al was het Roomsche kerkbegrip haar niet gunstig zonder haar echter bepaald uit te sluiten 3). De verschillende religieuze, dogmatische begrippen mogen van invloed, van grooten invloed zijn op de regeling van de vermogensrechtelijke verhoudingen, die ter zake van den godsdienst in het leven worden geroepen, zij mogen ze veeleer in deze dan in die banen leiden, ten slotte blijven de religie en het vermogensrecht toch twee naast elkander staande grootheden, die niet noodzakelijk in causale verhouding zich bevinden. Het is zeer wel mogelijk, dat aan een Gereformeerde particuliere kerk van de voor haar bestemde goederen niet het eigendomsrecht competeert, en dat een Roomsche parochie corporatief georganiseerd is en als zoodanig de parochiale goederen in eigendom bezit, zonder dat daardoor de eerste ongereformeerd en de tweede onroomsch is. Dit neemt evenwel niet weg, dat er meer kans is de kerkelijke gemeente als eigenares aan te treffen, wanneer de Kerk als gemeenschap der in Christus geloovenden wordt geconstrueerd dan wanneer ze wordt opgevat als een door God ten behoeve der geloovigen ingesteld instituut des heils en tusschen ecclesia imperans (de geestelijkheid) en ecclesia obediens (de leeken) wordt onderscheiden 4). Maar, zooals ik zeide, bij slot van rekening staan recht en rechtsverhoudingen op eigen beenen en vloeien zij niet direct uit de theoretische opvattingen voort, al zijn ze wel degelijk aan haar invloed onderworpen.

In hoeverre deze theorie juist is voor het Romeinsche recht

1) Cf. Hübler 1. c. p. 79.

2) Cf. Hübler 1. c. pp. 79, S2, 83. Meurer 1. c. I. pp. 331 sqq. Mr. Lohman 1. c. pp. 79, 80, 85.

3) Cf. Hübler 1. c. pp. 82, 89, 97, 112. Meurer 1. c. II. pp. 89, 307.

4) Cf. Eichhorn 1. c. I. p. 463. Gierke 1. c. I. p. 287, III. pp. 110, m. Meurer 1. c. II. pp. 79—81.

Sluiten