Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bv. als een gedeelte eener parochie tot een nieuwe parochie gevormd werd *).

De parochiale goederen werden niet door de parochiën verkregen, zij werden toegewezen door de schenkers ten behoeve van het kerkgebouw, van de pastorie, van de kosterie of van een vicarie, onverschillig of er reeds geloovigen waren of niet 2); met geen woord werd in de rechtstitels van de gemeente als het verkrijgende subject gewaagd, hetgeen trouwens reeds hierom ^dikwijls onmogelijk was, omdat er nog geen gemeente was maar door bekeering geformeerd moest worden 3). Deze fundaties en donaties konden uitgaan van ieder, die wilde; of van één persoon öf van een gansche buurschap, welke laatste dan veelal door de geestelijke Overheid tot parochie gevormd werd en het collatierecht van de pastorie verkreeg, als aan de Canonieke voorschriften voldaan was, en de bevoegdheid verwierf kerk en kerkegoederen door kerkmeesters, door haar gekozen, te beheeren. Deze rechten hadden echter juist den eigendomsafstand tot conditio s. q. n.

In het geval dat van een geheel dorp of van welke plaatselijk bepaalde menschengroep ook de kerkstichting uitging en op dezen grond aan de geburen de pastoorsbenoeming, de aanstelling van kerkmeesters en het opperbeheer van de fabrieksgoederen toekwam, bestond deze rechtseenheid tusschen hen niet in de eerste plaats in hun hoedanigheid van parochianen maar in die van kerkstichters; bloot als parochianen bestonden er tusschen hen geene rechtsbetrekkingen, alleen op grond van bijkomende feiten waren zij min of meer rechtens georganiseerd 4).

1) Meurer (1. c. I. pp. 331, 336) drukt het verschil tusschen de R. Katholieke en de Protestantsche kerkformatie zeer juist uit door te zeggen, dat het Protestantsche kerkelijke organisme „sich von unten nach oben aufbaut" en dat „sich die Verfassung der Katholischen Kirche in hiërarchischer Weise von oben aus bildet."

2) Cf. Meurer 1. c. I. p. 343.

3) Cf. Mr. Lobman 1. c. p. 82.

4) Cf. Mr. Lohman 1. c. p. 89; en Richter-D. 1. c. p. 556 noot 18; alwaar aangehaald is een plaats uit von Richthofens Friesische Rechtsquellen (p. 127), blijkens welke de dorpelingen, die de kerk stichtten, het recht hadden den pastoor te benoemen, welk recht op hunne erfgenamen overging; de bedoelde plaats

Sluiten